Leven en werk van Antoine Bomon - 1954 - 01

Naar een luxueus internaat

 

Hoewel mama altijd opgewekt lijkt, sukkelt ze al sinds het midden van de Tweede Wereldoorlog met haar gezondheid. Ze heeft vaak last van depressies en angstaanvallen, ten gevolge van de gruwelen die ze tijdens de oorlog heeft meegemaakt (ze was 13 jaar toen de oorlog begon en 18 toen die eindigde).

In het begin van het jaar 1954 is het zó erg gesteld met haar gezondheid dat ze niet meer optimaal voor haar kinderen kan zorgen. Om haar wat tot rust te laren komen worden mijn broertje en ik in een luxueus internaat geplaatst te Glain, een deelgemeente van de stad Luik. Het is een gemengd internaat, waar zowel Nederlandstalige als Franstalige kinderen verblijven.

Voor ons gaat er een totaal nieuwe wereld open. We krijgen er een deftige, tweetalige opvoeding en leren er onder meer de beginselen van de etiquette. Papa werkt niet meer in de koolmijnen. Via zijn avond- en zondaglessen heeft hij intussen een diploma van metser behaald. Hij is nu werkzaam in de bouwsector, wat financieel al wat meer ademruimte geeft. Papa is blij dat hij nu niet meer elke dag op duizend meter onder de grond kolen moet hakken. Hij heeft in de mijnen stoflong opgelopen, wat hem echter niet belet toch nog de respectabele leeftijd van 83 jaar te halen.

 

Aan dat internaat houd ik mijn eerste levendige herinneringen over. Jean-Pierre en ik missen onze ouders, maar we worden zodanig overspoeld met nieuwigheden en leuke activiteiten dat het verdriet zich maar heel zwakjes manifesteert. Het statige gebouw lijkt wel een sprookjespaleis in onze kinderogen en het speelgoed in de grote speelzaal lijkt door tovenaars gemaakt: autootjes die je kan opwinden met een sleuteltje en die dan vanzelf rijden, kleurige blokken waarmee je huisjes kan bouwen... dat hebben we nog nooit eerder gezien. Maar het zijn vooral de mooie en attractieve speeltuigen in het prachtige park rond het internaat die een blijvende indruk op mij maken. Ben ik daardoor later uit nostalgie zelf speelattracties beginnen ontwerpen, bouwen en beschilderen? Of begon ik daarmee omdat ik - zoals ik in mijn in 2009 uitgegeven autobiografische roman 'De Stenen Trap' schreef - "het kind in mij nooit heb kunnen loslaten"?

Links: Jean-Pierre en ik met een van de opvoedsters van het internaat. Midden: mijn broertje en ik laten ons door een speelmakkertje heen en weer schommelen in een feeërieke reuzenschommel. Rechts: zo'n grote zandbak hadden we in ons dorp niet.

Ouders op bezoek

Zes weken later zien we voor het eerst onze ouders terug. Het weerzien verloopt zeer emotioneel. De gezondheidstoestand van mama is er intussen (tijdelijk) op vooruit gegaan. Trots toon ik tijdens het bezoek al de mooie prulletjes die ik gedurende die zes weken gemaakt heb: kransjes en kroontjes die ik met de hulp van de opvoedsters in elkaar knutselde uit takjes, bladeren en gedroogde bloemetjes uit het omringende bos, mooie tekeningen en vrolijk knip- en plakwerk.

Mijn broertje en ik spreken ondertussen ook al een mondje Frans. Een hele dag vermaken we ons uitbundig met onze ouders en een speelmakkertje dat geen bezoek heeft. 's Middags eten we samen in de grote eetzaal van het internaat en 's namiddag maken we een wandeling in de bosrijke omgeving en spelen we op het grote speelplein.

Fier als een ervaren zeekapitein sta ik vooraan in de top van het grote klimrek. De matrozen achteraan: mama, broertje en papa. Onder ons uniformvestje dragen we een schortje. Het lijkt op een rokje, maar dat is het dus duidelijk niet!

Onder: mama, ik en broertje op een ander speeltuig.

 

Terug naar de vertrouwde omgeving

Na het bezoek van onze ouders kunnen we nog ongeveer zes weken van de speeltuigen en van de glooiende bosrijke omgeving van het internaat genieten. Dan komt papa ons terughalen. De lange rit naar huis leggen we af in een stoomtrein. Ik herinnert me nog levendig hoe ik met mijn wipneusje tegen het vuile raam gedrukt zat en naar de nog niet afgebroken of heropgebouwde huizen keek die tijdens de Tweede Wereldoorlog door bombardementen waren verwoest.

Nog geen autosnelwegen in België

 

In 1954 zijn er nog geen autosnelwegen in België (de eerste autosnelweg wordt pas in '56 door koning Boudewijn ingehuldigd). Er sporen al elektrische locomotieven, maar de meeste passagierswagons worden nog voortgetrokken door stoomlocomotieven. In België verdwijnen deze pas in 1966 (in Nederland al in 1958).