Ouders storten zich in het middenstandsleven

 

In de zomer van 1956 storten mijn ouders zich vrij onverwachts in het middenstandsleven. We verhuizen van de Gentsesteenweg naar de Kerkstraat (thans Tweekerkenstraat) te Godveerdegem. Vlakbij het oude Romaanse kerkje nemen mama en papa het dorpscafé ‘In den Welkom’ over. In de ruimtes naast het café opent papa een fietsenwinkel en een atelier waar hij fietsen en bromfietsen herstelt. Hij blijft echter, voor de zekerheid, zijn werk in de bouwsector behouden. Mama runt het café terwijl papa overdag naar het werk is en ’s avonds in zijn atelier aan de fietsen sleutelt, of in de stallen en op het veld werkt.

Het is voor ons hele gezin een enorme verandering. De verhuis van de inboedel wordt gedaan met een tweewielige houten handkar. Tientallen keren loopt papa met de hulp van een buurman met een zwaarbeladen handkar van de Gentsesteenweg naar de Kerkstraat, een afstand van zo’n zes kilometer.

 

Mama op de fiets in de Kerkstraat te Godveerdegem.

 

Mama aan de voordeur van onze café en fietsenwinkel.

Het zestig jaar oude boodschappenlijstje.

Konijnen fungeren als grasmaaier

De nieuwe woning is vrij ruim en modern van uitzicht naar de toenmalige normen. Ze heeft een voorruimte die als café dienst doet en daarnaast nog een grote kamer die als fietswinkel wordt ingericht. Aan de andere kant bevindt zich een zeer groot werkatelier. Achteraan een keuken en woonkamer en op de eerste verdieping drie slaapkamers. Achter het huis ligt een grote koer met een stenen vloer en enkele stallen, waarboven zich een groot duivenhok bevindt. Daarachter een boomgaard met een tiental fruitbomen en achter de boomgaard nog een groot veld, waarop papa nog in hetzelfde jaar groenten en aardappelen begint te telen. Onze tientallen kippen en konijnen krijgen een onderkomen in de ouderwetse, maar goed onderhouden stallen.

De konijnen fungeren tevens als ‘grasmaaier’. Ze worden in een afgesloten en verplaatsbare ren zonder bodem in de boomgaard gezet. Is het gras op die plaats kaal gegeten, dan worden ze enkele meters verplaatst. De kippen lopen overdag vrij rond op de grote koer en in de boomgaard.

Een badkamer is er echter niet. Die zijn nog in geen enkele arbeiderswoning en zelfs nog niet in de grotere huizen in het dorp geïnstalleerd. Dagelijks wassen we ons met regenwater uit een emmer en elke week gaan we in de grote zinken kuip. Shampoo, badschuim en badoliën zijn ook nog niet in het dorp te koop. De mensen reinigen hun lichaam meestal met ‘Sunlight’ zeep. Er zijn ook nog geen wasproducten die ‘witter wassen dan wit’. Zowel voor de schoonmaak als voor de kookwas en de vaat worden meestal dezelfde reinigingsproducten gebruikt.

In mijn familiearchief heb ik nog een klein boodschappenlijstje uit die tijd, geschreven door mama. Het is bewaard gebleven omdat ze het op de achterkant van een kleine foto schreef, wellicht omdat ze op dat moment geen ander stukje papier bij de hand had. Toevallig gaat het om drie producten die dan gebruikt worden voor de schoonmaak.

In het dorpscentrum is het leven heel wat gezelliger en levendiger dan aan de rand van het dorp, waar we voorheen woonden. Het sociale contact is er veel intenser. Iedereen loopt bij iedereen over de vloer, alsof het hele dorp één groot huis is met vele kamers. Op warme dagen zitten de mensen na het werk aan hun voordeur. Hoewel de toenmalige NIR (de Belgische radio en televisieomroep) al op 31 oktober 1953 gestart was met een eigen dramareeks (‘Twaalf dozijn rode rozen’) heeft nog niemand in het dorp zo’n “wonderkastje waarop je bewegende beelden kan zien” in huis (het eerste televisietoestel wordt pas in 1957 geïnstalleerd in de woonkamer van ‘Vout’, de grafdelver van het dorp).

Leven en werk van Antoine Bomon - 1956 - 01