1957-leven-en-werk-01

Leven en werk van Antoine Bomon - 1957 - 01

De eerste aan mij gerichte schriftelijke liefdesverklaring

 

Het jaar ’56 zou voor mij vrijwel ongemerkt in het volgende jaar overgegaan zijn als er niet die onvergetelijke oudejaarsavond was geweest.

Wij kunnen dan nog niet kijken naar een eindejaarshow op de televisie. We kunnen geen spectaculair vuurwerk afsteken, want vuurpijlen zijn uren in het rond niet te verkrijgen. Maar op een weide van Boer Vijze wordt, zoals elk jaar, een grote berg stro in brand gestoken, waar jong en oud vrolijk en goed ingeduffeld tegen de winterkou rond dansen en zingen tot de laatste gloeiende sintel is uitgedoofd.

Dianne, het zusje van onze speelmakker Joël, is dat jaar op die voor mij nog altijd wonderlijke nacht van oud naar nieuw ook in het dorp, met haar zusje, Joël en haar ouders. We dansen samen handje in handje rond de vuurberg en zingen uit volle borst. Ondanks mijn zeer jonge leeftijd voel ik heel duidelijk de magie van een ander wezentje, dat met een ragfijn gouden draadje van een ontluikende, voor mij nog niet helemaal vatbare hartstocht aan mij verbonden lijkt.

Na de pret op de weide wordt het feest verder gezet in onze café, bij een flink opgestoken kolenvuur, op gezellige muziek die een beetje krakend uit de luidspreker van de oude platenspeler komt.

Geen enkele dorpsbewoner kan zich op dat moment inbeelden dat er in dat nieuwe jaar een levend wezentje in een baan om de aarde zal gebracht worden. Maar iedereen weet dat het leven, hoe hard en ondraaglijk het soms kan zijn, een grote rijkdom heeft waar zelfs de armste ziel zich kan in wentelen.

 

Het feest duurt nog tot in de vroege ochtend. Mijn broertje en ik liggen al lang in ons bedje te slapen als mama en papa lachend en bezweet van het dansen de laatste beschonken klant de deur uithelpen.

Ik weet niet meer of ik Dianne, Joël en hun zusje de volgende dag weerzag. Maar ik weet wel nog dat ik die volgende dag, toen ik ontwaakte, een bierviltje op mijn nachttafeltje vond. Mama zei dat ik met het kaartje in mijn handje geklemd in slaap gevallen was, en dat zij het voorzichtig van tussen mijn vingertjes heeft gewrikt voor ze mij instopte, zodat het tijdens mijn slaap niet gekreukt zou worden.

We hebben op school gelukkig al redelijk goed leren lezen en schrijven, zodat ik niet de hulp moest inroepen van mama om te weten te komen wat er op het viltje geschreven staat. Met een nog kinderlijk, doch sierlijk handschrift heeft de kleine lieve Dianne - een half jaartje ouder dan ik - met een potlood neergepend: 'Ik zie je graag!' Daarnaast heeft ze een mooi hartje getekend met onze initialen erin.

Het is de eerste geschreven 'liefdesverklaring' aan mij gericht. Nu, meer dan een halve eeuw later, lijkt ze in mijn hart nog altijd de oprechtste en zuiverste.

Een woonkamer in een plattelandswoning. Geen comfort. Jonge meisjes helpen mee met de afwas. Aan het plafond hangen gezouten hammen te drogen.

Een woonkamer in een stadswoning, zelfde periode. Verscheidene gezinnen hebben al televisie en telefoon.

Werken is nog overal zwaar, maar het werk op het platteland is zeker minder stresserend en een stuk gezonder dan het werk in een lawaaierige fabriek.

Hemelsbreed verschil tussen dorpsmensen en stadslui

 

De mentaliteit en levenswijze tussen plattelandsbewoners en de mensen die in de grote Vlaamse steden wonen verschilt in die jaren nog enorm. Terwijl men kort na de Tweede Wereldoorlog in de steden tussen het heropbouwen van platgebombardeerde gebouwen en bruggen door al Coca-Cola, kauwgom, nylonkousen en Elvis Presley in de harten gesloten heeft, leven de mensen in de door landbouwgronden geïsoleerde dorpjes nog een beetje op zijn ‘middeleeuws’. Huishoudelijke en technische nieuwigheden dringen maar nauwelijks door en er zijn vrijwel geen dorpelingen die er behoefte aan hebben.

De dorpelingen hechten zich nog als plakluizen aan hun eeuwenoude tradities en levensvisie. Ze kijken nog niet uit naar voor hen onbereikbare doelen of dromen nog niet van overbodige luxe. Zelfs nog niet van welstand. Misschien ligt het geheim van hun eeuwige opgewektheid, hun welgemeende vriendelijkheid tegenover anderen en het feit dat ze nooit last hebben van stress precies daarin besloten. De meeste eenvoudige mensen zijn zelden of nooit ontgoocheld, omdat ze niet veel meer verwachten dan een goede gezondheid en voldoende eten. Ze berusten doorgaans in hun lot; de grote meerderheid droomt er niet van om van knecht tot koning op te klimmen. De boeren zijn al dankbaar en gelukkig als ze een goede oogst binnenhalen en daarmee de strenge winter ‘zorgeloos’ kunnen doorkomen. De arbeiders, dagloners en knechten kijken alleen uit naar voldoende werk. De vrouwen voelen zich al gelukkig als hun kroost zonder ernstige en dodelijke ziekten het jaar is doorgekomen en zij genoeg middelen hebben om het huishouden naar behoren te kunnen leiden. Al de rest kan hen gestolen worden. Zware criminaliteit in de plattelandsdorpen is nog zo zeldzaam als een goudader in een zandberg. Niet zozeer omdat de mensen daar misschien iets meer dan elders de toorn van God of de arm van de wet vrezen, maar omdat ze tevreden zijn met wat ze bezitten. Waarom zou je stelen, inbreken of een overval op een geldtransport plegen, als alles wat je nodig hebt om gezond te leven zomaar in de aarde ontspruit en openbloeit, en je voor de rest kunt werken? Wat bereik je door iemand laaghartig te vermoorden, te verkrachten of te verminken? Niets meer dan een troosteloos, jarenlang verblijf in de gevangenis; een leven niet waard geleefd te worden. Waarom zou je afgunstig naar een rijke schijtluis lonken? Wat hij teveel heeft kan hij toch niet meenemen in zijn graf…

 

Ik wil hier die tijd en de plattelandsgeest van toen niet idealiseren. Er voltrekken zich ook dan door mensen aangerichte drama’s. Er zijn ook tal van dorpsgenoten die zich werkelijk over bepaalde dingen zorgen maken, die ook échte zorgen en verdriet hebben. Een ongeneeslijk ziek kind, dat uiteindelijk veel te vroeg de strijd moet opgeven; een slechte oogst, verlies van inkomsten en nog zo van die dingen. Er lopen ook in die jaren overal opscheppers, amokmakers en ontevredenen rond. Elk dorp heeft zijn ijverige werkers, zijn schelmen, zijn luiaards en opstandelingen. Maar in de kranten van toen moet men met een vergrootglas op zoek gaan naar criminele gebeurtenissen die in onze dorpen zijn gepleegd. Dat zegt genoeg.

Alarm- en beveiligingssystemen zijn in ons dorp nog onbekend en ook niet nodig. Er zit in ons café zelfs geen slotje op de geldschuif. En hoewel mama vaak in de keuken of in een andere kamer bezig is terwijl er klanten in het café zitten, en de voordeur op warme dagen altijd wagenwijd open staat, is er gedurende al de jaren dat ze het café openhoudt nooit één centiem uit de la gestolen. Wie iets te kort heeft, vraagt het aan familie of aan de buren en krijgt het. Vaak gratis, soms in ruil voor een karweitje. Liefdadigheid is in de dorpen nog geen edel woord of instelling. Het is een natuurlijk instinkt, in ieders ziel ingebakken, noodzakelijk om de hele groep in stand te houden.

 

Jammer genoeg is dat in de grote steden vaak niet het geval. Er is veel meer criminaliteit, onrust en ongenoegen. De meeste mensen leven er anders, in een onnatuurlijk ritme, in een onnatuurlijke omgeving, constant vooruit geschopt door de waanzinnige naoorlogse prestatiedrang. Zij hebben niet die grote, diepgewortelde verbondenheid met de natuur, zijn door hun jachtig verlangen naar meer welvaart vaak prikkelbaarder, agressiever, egoïstischer, veeleisender en wanhopiger. Velen voelen zich als gekooide dieren in een etalage, constant bekeken en gekeurd, vruchteloos wachtend op een koper die hen weer de vrijheid kan schenken. De meeste stadsmensen volgen de mode op de voet, willen er uit zien als de afgestofte en opgepoetste idolen die ze op het televisiescherm en in de bioscoop zien. En ze willen meedelen in hun extravagante levensstijl. Maar natuurlijk is niet elke stadsmens ongelukkiger of ontevredener dan een buitenmens.

Omdat papa niet erg tevreden is over de kwaliteit van de fietsen die hij nieuw aankoopt, begint hij zelf fietsen te assembleren onder zijn eigen merknaam. Zijn productie blijft echter kleinschalig en hij blijft intussen ook nog in de bouwnijverheid werken.

Doordat mama en papa zeven dagen op zeven van de vroege ochtend tot de late avond aan het werk zijn, genieten mijn broertje Jean-Pierre en ik van een enorme vrijheid. Na schooltijd zijn we dan ook altijd te vinden op de omliggende weiden, velden en boerderijen, meestal in het gezelschap van ons boezemvriendje Joël Lapage en diens zusjes Dianne en Annie.

Met een aantal kinderen uit de buurt. Ik verschuil mij achter een vriendje. Jean-Pierre staat trots en breed glimlachend vooraan.

Welstand en vrijheid

De fietsenwinkel en herstelplaats van papa draait goed, evenals het volkscafé. Door haar verfijnde en kunstzinnige opvoeding en charmant voorkomen weet mama ook het hart van de dorpsnotabelen te veroveren, die in haar café graag geziene gasten worden.

Van het armoedige leven uit de eerste helft van de jaren vijftig is niets meer te merken. Ons gezin behoort intussen tot de 'gegoede klasse' van de dorpsgemeenschap.

De Spoetnik 1 en 2: het begin van het ruimtevaarttijdperk

 

Op 4 oktober 1957 verbazen de Russen de hele Westerse wereld door de geslaagde lancering van de Spoetnik 1, de eerste kunstmatige satelliet die in een baan om de aarde wordt gebracht. Het Spoetnikprogramma is grotendeels het werk van de Russische ruimtevaartdeskundige Sergej Koroljov. De Spoetnik 1 bestaat uit een uiterst eenvoudig concept: een aluminium bol (massa 83,6 kg; diameter 58,5 cm) met daarin een accu, een ventilator voor de temperatuurregeling, twee radiozenders (met radiobuizen) en aan de buitenzijde vier ongeveer 3 m lange sprietvormige antennes. Om de piepjes te onderbreken wordt op het laatst door de ingenieurs een ruitenwissermotor van een Lada gemonteerd. Het nieuws van de lancering slaat in als een bom, vooral in de Verenigde Staten, waar men in de veronderstelling leeft voorop te lopen op het gebied van de ruimtevaarttechnologie en waar men de (toenmalige) Sovjet-Unie beschouwt als "een technologisch en wetenschappelijk achterlijke dictatuur". Net geen maand later, op 3 november 1957, bewijzen de Russen opnieuw hun superioriteit op het vlak van de ruimtetechnologie, door de Spoetnik 2 te lanceren, met aan boord het hondje Laika, meteen het eerste levende zoogdier in de ruimte. De Spoetnik 2 is er echter niet op gebouwd om terug te keren naar de aarde. In de vierde omloop sterft Laika door oververhitting en overmatige stress.

Ik hoor van de lanceringen slechts spreken in ons café en begrijp er nog niet veel van. Maar vijf jaar later breng ik een huldebetoon aan het eerste ruimtehondje door mijn eigen hondje, dat opvallend gelijkt op het in de ruimte omgekomen hondje, ook Laika te noemen (zie verder).

De komeet van Arend-Roland

 

De Spoetniks zie ik niet overvliegen, maar een half jaar daarvoor ben ik wel getuige van een ander fenomeen aan de sterrenhemel.

“Kijk, een steirtsterre!” roept mama op een avond in april ‘57. Ze staat aan de voordeur van haar café met een buur te praten. Onmiddellijk maakt ze een kruisteken, want een komeet wordt in het dan nog welig tierend volksgeloof gezien als een “boodschapper van God”, die een naderend onheil voorspelt. Ik zie de ‘staartster’ ook. De komeet heeft een brede staart en een dunne naaldvormige punt. Hij staat heel helder aan de hemel en maakt een enorme indruk op mij.

Ik kan me niet meer herinneren of die zeldzame heldere verschijning aan het hemelfirmament mij al dan niet angst inboezemde. Eerder een kinderlijke verwondering. Als kind van het platteland weet ik al een en ander van de sterrenhemel af. Ik kan al enkele sterrenbeelden aanwijzen en ken al de maancyclus. Maar een komeet heb ik nog nooit eerder gezien en dat beeld van die heldere ster met een staart is mij altijd bijgebleven.

Alle kometen hebben een min of meer vaste omlooptijd, wat inhoudt dat ze om de zoveel jaren terug zichtbaar worden. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de komeet van Halley, die om de 75 a 76 jaar onze aarde passeert. Andere kometen, die een veel grotere en grilliger omloopbaan hebben, doen er soms miljoenen jaren over alvorens weer eens in de buurt van onze aarde te verschijnen. Het zijn dus op zijn zachtst gezegd ‘mysterieuze ruimtereizigers’.

De komeet Arend-Roland is slechts één keer in ons zonnestelsel waargenomen. Het kan nog honderden tot miljoenen jaren duren voor hij weer eens door een mens gezien zal worden.

De komeet Arend-Roland. Let er op hoe 'groot' hij is in verhouding met de achterliggende sterren.

Pas vele jaren later kom ik er achter dat de komeet die ik toen zag deze van Arend-Roland moet geweest zijn. Het is de Belgische astronoom Sylvain Julien Victor Arend die samen met zijn Belgische collega Georges Roland al op 8 november 1956 de bewuste komeet ontdekt op fotografische platen voor routine onderzoek van planetoïden in het Observatorium van Ukkel in Brussel. In april '57 is deze komeet zodanig dicht de aarde genaderd dat hij heel goed met het blote oog kan waargenomen worden.

Tijdens zijn leven (1902-1990) ontdekt Sylvain Arend verscheidene kometen en tevens ruim vijftig planetoïden (kleine planeten die ook in een baan om onze zon draaien; er zijn er inmiddels ruim 300.000 bekend).

Leuk voor stripliefhebbers is de vermelding dat Arend ook de planetoïde ontdekt die officieel de naam Hergé krijgt, genoemd naar de Brusselse tekenaar van 'De avonturen van Kuifje'. Dertien jaar later ontmoet ik deze beroemde striptekenaar (en ook nog verscheidene andere bekende tekenaars) regelmatig wanneer ik in de Brusselse tekenfilmmaatschappij Belvision meewerk aan de eerste bioscoopfilm van stripheld Lucky Luke (zie het jaar 1970).