1957-leven-en-werk-02

Leven en werk van Antoine Bomon - 1957 - 03

Onze verbondenheid met de natuur

 

We bezondigen ons zo nu en dan aan vogel- en visvangst, maar toch beschouwen we alle dieren om ons heen als metgezellen op onze ontdekkingstochten. Elk kind van het platteland blijft zijn leven lang door een onzichtbare navelstreng met de natuur verbonden. Niet alleen met de dieren, maar evenzeer met de aarde, het gras en het onkruid onder onze voeten. Met de gewassen op het veld. Met de bomen en heesters. Met de miljoenen ijverige insecten. Met de lucht, de wolken en de wind. Met de zon, de maan en de sterren. Met de regen-, sneeuw- en hagelbuien, met de bliksem en de donder, met alle geuren en kleuren die zich tot een poëtisch landschap vermengen. We blijven ons leven lang verbonden met die onvatbare eenheid van alles, in miljarden jaren gecreëerd door ontelbare evolutionaite processen. Of door een God die zich nooit vertoont en toch in alles zichtbaar aanwezig is. Geen insect, geen onweersstorm boezemt ons angst in. De natuur weerspiegelt ons eigen innerlijke, onze kracht en zwakte, onze gaven en gebreken, onze schoonheid en lelijkheid, onze woede en onze vreugde. Knip die navelstreng door en wij verwelken als een roos in de woestijn. Dat ondervinden mijn broertje en ik enkele jaren later. Maar zo ver zijn we nog niet in ons verhaal. We zitten momenteel nog op die feeërieke achtbaan van onze kindertijd, waar ellende, verdriet, bedrog en ontgoocheling nog abstracte begrippen zijn die ons niet beïnvloeden. En over dat alles hangt de ingestampte bedrieglijke glans van het geloof, de schijnbaarheid van een nog hoger gelegen Elysium... alsof de mens zich nooit zal kunnen verzoenen met zijn toch al wonderbaarlijk aardse lot, en nooit tevreden zal zijn met wat hij verwerft en bezit. Want achter elke bereikte droom ligt al een nieuwe te broeden en zo gaat het altijd maar door. Een perpetium mobile van de menselijke hoogmoed, van een onduldbaar verlangen naar steeds meer en beter. We zijn ontaarde strebers. Geen doel is nog hoog genoeg. De mens schiep zijn goden en wil er nu koste wat kost bovenuit groeien.

 

Op het platteland valt dat in de jaren vijftig nog niet op. Elke dorpsgenoot lijkt nog op een aardklomp, ruikt nog naar een aardklomp, draagt de aarde dag en nacht bij zich onder zijn vinger- en teennagels, in de eeltige knobbels op zijn handpalmen, in de plooien van zijn huid. Dromen reiken nog niet hoger dan het Romaanse kerktorentje. En aan hun werktuigen kleven nog de zweetlucht en verstorven huidschilfers van hun verre voorouders...

Het dorpskerkje van Godveerdegem in de winter. Ontelbare keren beter dan inpakkunstenaar Christo het zou kunnen heeft de natuur de aarde met aan elkaar geklitte sneeuwkristallen ingepakt.

Geen zwaluw in de hand

 

De slaande, vloekende en brullende dorpspastoor hebben we enkel maar te vrezen tijdens dat éne uurtje dat hij wekelijks godsdienstles geeft in het klasje. In de zondagmis, die we geen enkele keer mogen overslaan, schreeuwt en tiert hij ook tegen de kinderen en volwassenen waarvan hij vermoedt dat ze ’zondige’ bezigheden en gedachten op hun kerfstok hebben. Maar dan staat hij hoog in de preekstoel en kan hij ons weinig kwaad doen. Het schoolgaan (alle kinderen gaan dan ook nog de zaterdagvoormiddag naar school) is niet echt vervelend en voor de rest van de tijd leven we zo vrij als een vogeltje.

Vogels vliegen en huppelen er genoeg rondom ons. In alle kleuren, in alle maten en gewichten. Samen met de dieren op het land, in en om het water en op de boerderij vormen zij voor ons een wonderlijk natuurparadijs, vol beweging en natuurgeluiden. We genieten er elke dag met volle teugen van.

 

Soms gaan we op vogelvangst. Dan zetten we een stokje dat verbonden is aan een lang koord onder één kant van een grote rechthoekige zeef waarmee mama en papa de as van de koolresten scheidt. We leggen wat broodkruimels en gevangen regenwormen onder de zeef en verschuilen ons dan een tiental meter verder achter een boom of struik, waar we met het andere uiteinde van het koord tussen onze vingertjes geklemd muisstil op wacht zitten. Tippelt er een vogeltje onder de zeef om de broodkruimels en wormen op te pikken, dan trekken we vliegensvlug aan het koord. Het stokje schiet weg, de zeef ploft neer en het vogeltje zit gevangen. Nadat we ze even geaaid en goed bekeken hebben, laten we ze onmiddellijk weer vrij. Het gaat om het spel en om het aantal vogeltjes dat we op een namiddag kunnen vangen.

 

Alléén zwaluwen mogen we niet vangen, want dat zijn in de ogen van de gelovige boeren een soort “boodschappers van God”. Elk jaar komen ze in grote zwermen vanuit Afrika, Zuid-Amerika of uit het zuiden van Azië naar onze dorpen, om hier in de boerderijen, stallen en schuren nesten te bouwen en zich voort te planten (de sierlijke vogels leggen tijdens hun trektocht van en naar het zuiden gemiddeld 400 kilometer per dag af!). Wanneer ze hier in soms grillige formaties aankomen weten de boeren dat het einde van de winter in zicht is. Op de gezichten van de landbouwers verschijnt dan een brede glimlach, en de gelovigen maken een kruisteken als dank voor de komst van de vogels, die hun stallen en schuren van ontelbare insecten verlossen. Ze worden dus naast ‘boodschapper’ ook als zeer nuttig beschouwd en omdat wij ze niet zouden vangen maken de boeren ons wijs dat we grote wratten op de handen krijgen als we een zwaluw in de hand houden of eieren uit hun nesten roven. We laten die beestjes dus wijselijk met rust. Alle andere vogels (behalve de reisduiven van de boeren) mogen we vangen. Die zijn toch meestal een plaag op de velden en in de boomgaarden. Ze pikken op de velden de pas gezaaide zaadjes op en pikken grote gaten in de appels, peren, pruimen, kersen en krieken in de boomgaarden, waardoor veel fruit onverkoopbaar wordt (dat 'verminkt' fruit dient dan meestal voor eigen consumptie of voor de kippen, kalkoenen en varkens op de boerderijen).