1957-leven-en-werk-03

Leven en werk van Antoine Bomon - 1957 - 02

Van de nonnenschool naar het kleinste dorpsschooltje van Vlaanderen

 

Nadat we verhuisd zijn van de Gentsesteenweg naar de Kerkstraat volgen mijn broertje en ik les in het nonnenschooltje in de Kerkstraat. De nonnen die in het zusterklooster les geven zijn zó streng, afstandelijk en onwerelds dat ik het al meteen aan de stok krijg met die vrome 'bruiden van Christus'. Als ik nu aan die tijd terugdenk zie in mijn herinneringen maar heel vage duistere beelden terug die mij een onbehaaglijk gevoel geven in de maagstreek. En ik bedenk nu, dat als ik Christus zou zijn, ik er toch de voorkeur zou aan geven om voor eeuwig vrijgezel te blijven, want met zulk soort 'bruiden' valt hoegenaamd niet te leven! Bijna dagelijks mag ik van die wit geschrobde handen een paar pijnlijke kletsen rond mijn kleine oortjes in ontvangst nemen en ik sta meer uren in een hoek van de klas dan dat ik op de schoolbank doorbreng.

Ben ik dan zo een onhandelbaar kind? Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik al heel vroeg een sterke drang naar vrijheid heb ontwikkeld en dat ik mij bij die nonnen al vanaf de eerste dag zowel mentaal als fysiek in een zwart hokje voelde van nog geen halve meter breed en diep, maar met zes meter hoge muren. Ik kan de hemel niet zien. Ik zie alleen het zwart van hun glad gestreken habijt, de boezems platgedrukt om toch niet te vrouwelijk over te komen, het kaal geschoren hoofd omkranst met een zwarte kap met stijve witte boord. En wij tegenwoordig maar mopperen over moslima's die uit religieuze overtuiging een (vaak zelfs nog modieuze) hoofddoek dragen! Nog niet zolang geleden showden die katholieke 'zusters' hier nog onherkenbaarder en stukken naamlozer hun religieuze overtuiging.

De antipathie die ik voor de nonnen voel is wederkerig, want al na enkele maanden word ik (figuurlijk dan wel) de kloosterpoort uitgetrapt. "Ze kunnen niets met mij aanvangen," klaagt moeder-overste tegen mama. Papa moppert en trekt met mij naar het piepkleine gemeenteschooltje wat verderop, toen wellicht het kleinste dorpsschooltje van Vlaanderen. Er is slechts één klaslokaal, waar één onderwijzer les geeft aan een tiental jongetjes tussen 6 en 12 jaar. En daar voel ik mij meteen een stuk vrijer. Het zwart-witte keurslijf valt van mijn schoudertjes en de door de nonnen strak aangespannen paternoster rond mijn keel wordt wat rekbaarder, zodat ik iets beter kan ademen.

Ik herinner me de schoolmeester van het gemeenteschooltje nog goed: een rijzig figuur met zwart (aan de slapen grijzend) haar, dat strak naar achteren gekamd is. Hij draagt een bril en is een vriendelijk, doch streng man. De leerlingen slaat hij zelden, maar zijn eigen zoon, die ook in het klasje zit, schopt en slaat hij letterlijk regelmatig de schoolbank uit als hij niet goed oplet in de klas. De arme zoon is geen groot licht. Waarschijnlijk leeft hij zelfs in de veronderstelling dat de zon in werkelijkheid niet groter is dan een voetbal.

De onderwijzer is een grote astronomie- en natuurkundefreak. Hij leert ons meer over het heelal en het zonnestelsel dan over wat dan ook, en in de klas en op de koer voert hij samen met ons regelmatig scheikundige experimenten uit met allerhande vloeistoffen. Van een 'normaal' lessenpakket is geen sprake. Hij behandelt op dezelfde dag onderwerpen bestemd voor leerlingen van het eerste leerjaar als onderwerpen voor leerlingen van het zesde leerjaar. Hij geeft de kleintjes klasopdrachten terwijl hij les geeft aan de grotere kinderen, en vice versa. Hij holt doorlopend van de ene kant van het klasje, waar de kleintjes gegroepeerd zitten, naar de andere.

 

Ik en mijn broertje tegen de voorgevel van ons huis. Als het op kattenkwaad aankomt: twee handen op één buik!

De dorpspastoor paradeert door het dorp in precies dezelfde auto als deze op bovenstaande foto.

Irma en Vout

 

God moet van elke soort zijn getal hebben, zegt men. Zo ook van vrouwen die dagelijks vergeefs hun zorgen proberen te verzuipen in een kroes bier.

In ons dorp is dat Irma, de zwaarlijvige, altijd slordig geklede vrouw van Vout, de grafdelver van ons dorp. Irma en Vout wonen in een boerderij aan de overkant van de straat. Ze hebben een zoon: Jefke, een doofstomme jongen die bij Boer Vijze als stalknecht werkt.

Als Vout geen graf moet delven (en dat moet hij gelukkig niet alle dagen doen) en niet op zijn eigen erf aan de slag is, zit hij bij ons in het café. Hij heeft een lage, krakerige stem, die wonderlijk bij zijn stiel past, en een grote rode neus, vol blauwe adertjes. Van zijn vettige pet, die altijd schuin op zijn hoofd staat, kun je zonder andere toevoegingen een bouillon koken waarmee je enkele weken lang een varken kan in leven houden. Vout kan drinken als een tankschip en in het vloeken is hij zelfs de pastoor de baas. Maar ik herinner mij hem als een zonderling met een gouden hart, die altijd klaar stond om anderen een handje te helpen.

Vout kan heel spannende verhalen vertellen, die ons zowel angstig als nieuwsgierig maken. Eén van zijn geliefkoosde verhaaltjes is dat van die dode die in zijn doodskist weer levend geworden is. Nadat Vout met een paar knechten een kist in het graf liet zakken, hoorde hij hoe de dode om hulp schreeuwde en met zijn nagels aan de binnenkant van het deksel van de kist kraste. Vout maakte er de pastoor opmerkzaam op, maar deze schold hem stilletjes uit voor "godslasteroar", want alleen Lazarus en Christus zijn ooit uit het dodenrijk herrezen. Een idiote dorpsgenoot die gezondigd heeft kan dat dus zeker niet. Zelfs de duivel bezit niet de macht om een dode weer tot leven te wekken. Vout heeft de aarde dan maar over de kist gestrooid en het graf dichtgesmeten. Maar nu komt die dode regelmatig ’s nachts aan zijn bed staan, vertelt hij ernstig, en hij vreest dat die geest hem op een dag ook levend zal begraven.

Mijn broertje en ik zitten gespannen op de grond in kleermakerszit naar zijn verhaal te luisteren. Ik probeer mij voor te stellen hoe het moet zijn om levend in een kist begraven te worden. ‘s Nachts krijg ik er een nachtmerrie van, waarna mijn moeder Vout verbiedt om nog zulke griezelige verhalen aan ons te vertellen.

 

Wanneer ik daar nu nog eens aan terugdenk voel ik weer de rillingen over mijn rug lopen. Misschien was dat verhaaltje van Vout zelfs niet helemaal in zijn fantasie ontsproten. Het is immers intussen medisch aangetoond dat een mens in een soort toestand van ‘schijndood’ kan raken en na enige tijd daaruit weer kan ontwaken. Ik heb later nog andere verhalen gehoord over doodskisten die na een tijdje weer opgegraven werden en waarbij men langs de binnenkant van de kist sporen van vingernagelgekras heeft gevonden, of waarbij men constateerde dat het skelet in een andere positie lag dan in de gebruikelijke houding waarin een mens afgelegd wordt. Er moeten in de loop der eeuwen dus waarschijnlijk ontelbare mensen ‘levend’ begraven of gecremeerd zijn. In onze tijd zal zoiets wellicht niet meer voorkomen; artsen passen al lang nauwkeurige controlemethodes toe om de dood van een persoon vast te stellen. Maar vroeger kan het wel gebeurd zijn dat iemand die in een comateuze toestand geraakt was dood verklaard en gekist werd, en daarna plots weer uit de coma ontwaakte, tot hij of zij stikte aan zuurstoftekort.

Het verhaal van Vout zorgde er in elk geval voor dat in het dorp nog meer mensen begonnen te geloven dat de doden ’s nachts uit hun kist kunnen kruipen, en het kerkhof werd sindsdien na valavond nog meer gemeden. De pastoor gebruikte het verhaal van Vout uiteindelijk om de goedgelovige mensen aan te sporen om de graven van hun dierbaren niet te laten verkommeren, zodat het dorp de toorn van de overledenen niet zou opwekken.

 

Irma, Vout’s vrouw dus, draagt alle seizoenen door een zijden sjaal om het hoofd en een gouden kruisbeeldje om haar hals. Ze gedraagt zich altijd schichtig, alsof de duivel haar op hielen zit.

Volgens eigen zeggen gaat ze nooit op café, maar ze is wel elke dag moeders eerste klant. Ze loopt vaker met een stuk in haar rijk gevulde boezem dan een verslaafde tooghanger. Nog vóór het café ’s morgens opengaat staat ze al op onze voordeur te bonken, met een reusachtige, geëmailleerde kruik in haar handen. “Doe ze moar vol!” zegt ze telkens tegen mijn moeder, terwijl ze spiedend om zich heen kijkt en haar hoofddoek telkens weer wat vaster probeert aan te knopen.

Mijn moeder houdt de enorme kruik onder de bierkraan en laat ze tot aan de rand vollopen. Daarna reikt ze Irma nog vlug een glas bier aan, dat in één teug door de slokdarm gegoten wordt. Irma stopt vervolgens zenuwachtig wat geld in mijn moeders hand en verdwijnt als een schichtig hangbuikzwijntje met de volle kruik door de grote groene poort van hun woonerf. Eerst heeft ze mijn moeder verteld dat het bier voor Vout en haar zoon Jef is. Maar kort daarop vraagt ze aan mijn moeder om toch maar niets tegen Vout te zeggen over de dagelijkse kruik gerstenat, zodat mama al vlug begrepen heeft dat Irma elke dag zelf de kruik tot op de bodem leegdrinkt. God ja, een mens doet wat hij niet laten kan en iedereen heeft wel een trekje dat hij liever niet aan het daglicht toont.

Een duivelse dorpspastoor in een opzichtige Cadillac

 

De grote schrik van alle kinderen (maar ook van vele volwassenen!) is de dorpspastoor, een kleine man met een groot rood hoofd. Hij draagt een zwart priestergewaad dat meestal stinkt naar zweet en met etensresten en wijnvlekken besmeurd is. Hij geeft elke week een uur godsdienstles in het klasje. Meestal tierend, en hij kan zodanig vloeken dat de schoolmeester, die tijdens de godsdienstles in de klas blijft, achter zijn rug constant kruistekens zit te maken. De pastoor houdt altijd een stalen liniaal in de hand, waarmee hij duchtig en vaak tot bloedens toe onze vingerkootjes bewerkt als we even onze blik richting vensters laten dwalen of niet op een vraag kunnen antwoorden. Geen ouder die er om maalt als hun zoon met bebloede vingers thuiskomt. De pastoor is nu eenmaal 'een dienaar van God' en wie niet horen wil moet voelen. Dat is in de jaren vijftig de mentaliteit.

De dorpspastoor verplaatst zich in een opvallende lichtblauwe Cadillac met open dak en sierlijke staartvinnen; een auto die hij naar eigen zeggen "van de bisschop gekregen heeft voor de goede werken die hij in het dorp verricht." Er komen echter meer en meer onwelriekende feiten aan het licht die zelfs de hardnekkigste kwezels doen twijfelen. Zijn heerschappij (hij heeft in het dorp meer macht en invloed dan de burgemeester en alle gemeenteraadsleden samen) nadert stilaan haar einde...

Binnenkoer van de hoeve van Irma en Vout in de Kerkstraat. Het is een zogenaamde 'gesloten' hoevetype (ook vierkantshoeve, kwadraathoeve of carréboerderij genaamd). De grote inrijpoort die op de straat uitkomt staat ten tijde van Irma en Vout overdag echter altijd open. Mijn broertje, Joël en ik spelen er vaak in de stallen en vangen er mussen die de graantjes komen oppikken. Deze foto is wel jaren later gemaakt, want ten tijde van Irma en Vout ligt er binnen het muurtje op de binnenplaats een mestvaalt, die vooral op warme dagen flink kan stinken. Het mest van de hoevedieren wordt bewaard om er de velden mee te bemesten. Aan de buitenkant van de gevel op de binnenplaats bevindt zich een waterpomp.

Geen enkele woning in Godveerdegem heeft dan al stromend water. Het water wordt dan nog dagelijks opgepompt uit putten met grondwater (elk huis heeft minstens een pomp en waterput). Dat water wordt vrijwel uitsluitend gebruikt als drinkwater en om er de voeding mee te bereiden. Voor alle andere doeleinden wordt regenwater gebruikt, dat in grote tonnen wordt opgevangen of via de dakgoten in een 'regenput' vloeit.