1957-leven-en-werk-04

Leven en werk van Antoine Bomon - 1957 - 04

Mijn broertje en ik worden échte 'revolverhelden'

 

Met een gelijkaardige revolver als op de foto hiernaast schieten mijn broertje, onze speelmakker Joël en ik op zekere dag op de koeien van boer Vijze, die in de weide achter het veld van papa grazen. We richten de geladen revolver ook talrijke keren op elkaar, gelukkig zonder de trekker over te halen. Geen van ons beseft dat we hiermee een spelletje aan het spelen zijn dat dodelijke gevolgen kan hebben...

Onze kinderoorlog

 

Naast Joël en zijn zusjes Dianne en Annie hebben mijn broertje en ik nog wat andere makkertjes, maar met die trekken we niet zo veel op. Die zijn enkel maar goed om voor de vijand door te gaan als wij 'oorlog voeren'. Zij vormen dan het leger van de slechte “Duitsen” en wij dat van de heldhaftige “galleerden” (geallieerden) en “bevrijers” (bevrijders). Hoewel we zelf de Tweede Wereldoorlog niet meemaakten (ik werd vijf naar na het beëindigen ervan geboren), hebben we van beide partijen al veel verhalen opgevangen in ons café en op straat, als mensen bij een glaasje gerstenat of aan hun voordeur in het zonnetje herinneringen ophalen aan hun trieste oorlogsverleden. Enkele dorpsbewoners sneuvelden immers ook tijdens de twee wereldoorlogen. Op de ommuurde begraafplaats rond het kerkje staat aan de zuidgevel van de kerk een weinig opvallend hardstenen monument, waarop de namen zijn gebeiteld van de slachtoffers van de beide wereldoorlogen. De tekst luidt als volgt: "Aan onze Helden - 1914-1918 - Lagaert Romain, De Vos August, Nachtegael Felix, Van Daele René, De Cooman Victor - 1940-1945 - De Maeseneer Charles, De Smet Jules, Van Cromrbrugge Albert, Van Damme André - Het volk van Godveerdegem”.

 

Onze kinderoorlogjes worden op een groot slagveld uitgevochten, dat zich uitstrekt over een aantal akkers en weiden, op het boerenerf en op de hooizolder van Boer Vijze, in de hele Kerkstraat en ook wel eens op het kerkhof. Overdag zijn wij daar niet bang; dan slapen de doden immers. Op de laatste rustplaats van de overledenen maken we echter geen lawaai. Daar sluipen we lenig en muisstil fluisterend tussen de graven, om de doden niet wakker te maken. Het minste vreemde geluidje of de geringste beweging tussen de bloemen op de graven (meestal veroorzaakt door de wind of een ronddolende huiskat) is echter voldoende om ons met luid kloppend hart van angst van de begraafplaats weg te jagen. Het bijgeloof zit diep ingeworteld; zelfs bij de meest onverschrokken “Duitsen” en “Galleerden” onder ons.

 

Afgerukte of afgewaaide takken van bomen en struiken doen dienst als geweer, maar ook als zwaard of speer, want er vechten natuurlijk ook middeleeuwse ridders mee. Soms vechten er zelfs Indianen en Vikings mee, met een zelfgemaakte handboog, speer of zwaard. Sinds ik via de Historia-boeken die mama voor ons verzamelt met al die vreemde stoere krijgers kennis maakte, behoren ze immers ook tot het kamp van de “Galleerden” tijdens onze oorlogsspelletjes. Afgedankte keukenpotten en hun deksels die we op de erven of thuis tussen de oudijzerbergen vinden, worden naar ons kamp gesleept. Dat zijn dan onze helmen en schilden als we “noar den oorlog” trekken. En tijdens de “woapenstilstanden” wordt er in de weiden, in de grachten en op de velden accuraat gezocht naar pluimen van hanen, wilde fazanten, duiven, spreeuwen en eksters. Ook die worden in onze kampen verzameld. Als er dan weer eens een oorlog tussen de “Duitsen” en “Galleerden” losbeekt binden we een elastiek uit een oude onderbroek om ons hoofd, steken de pluimen er tussen, en zo worden wij een stoere "Afrikoanse krijger" of een heldhaftig “indioanenopperuufd”.

 

Vrijwel altijd ben ik tijdens onze oorlogsspelletjes de koning, het “opperuufd” of de “krijsoanvoerder”, want de baas spelen en commanderen kan ik als de beste. Niemand betwist mijn gezag, want hoewel ik niet de grootste ben, kan ik toch het best mijn “spierballen” op mijn bovenarmpjes laten rollen (dat heeft papa mij geleerd). En dat maakt al voldoende indruk.

 

Meisjes mogen niet meedoen met onze oorlogsspelletjes. Oorlog voeren is in onze kinderogen een typische stoere “mannezoake”. De meisjes spelen ondertussen dus een spelletje hinkelen of een ander soft meisjesspel. Of ze supporteren langs de kant voor de “Duitsen” of voor de “Galleerden”, al naar gelang voor welk jongetje ze op dat moment een boontje hebben. Als er al eens een meisje stampvoetend aandringt om toch te mogen meevechten in "onzen gruuten oorlog" , krijgt ze van mij de rol van “verklikster”. Ze mag dan gecamoufleerd met bladeren en takjes het hele slagveld afsluipen, zodat we te weten komen waar we de vijanden die zich in de “luupgroave” of in een hooiberg hebben verstopt moeten gaan zoeken.

 

De helft van ons dorp staat telkens in rep en roer als we langs de huizen sluipen of rennen, met veel “pang-pang!”-geschreeuw, imitatiegeluiden van tanks, vliegtuigen, ontploffende granaten en atoombommen. Er wordt vrijwel nooit met de vuistjes gevochten. Als we een vijand in het vizier krijgen, roepen wij “pang!” en dan moet de vijand zich voor dood laten vallen. Doet hij dat niet, dan hollen wij hem luid schreeuwend achterna en nemen we hem “krijsgevangen”, wat betekent dat hij dan in ons eigen leger wordt opgenomen en met ons de overgebleven vijanden moet bestrijden. Echter pas nadat wij “als oorlogsbuit” voor onze schatkist een paar knopen van hun kleren hebben afgerukt. Als we het spel beu zijn, ons van de strijd te moe voelen of wanneer onze ouders luidkeels roepen dat het etenstijd is, tekenen we eerst nog vlug een denkbeeldig vredesverdrag en worden de wapens plechtig opgeborgen in onze kampen voor een volgende veldslag.

Wij houden ons meestal met ‘onschuldige’ spelletjes bezig, maar op een dag ontsnappen mijn broertje en ik aan een drama dat wellicht zelfs tot een dodelijke afloop zou geleid hebben als onze papa ons niet tijdig had betrapt.

In een verborgen lade in één van de kasten in het werkhuis van mijn vader vindt mijn broertje op een dag, terwijl papa gaan werken is, een vreemd ijzeren “ding”, met een zeer oud kartonnen doosje erbij waarin kleinere “dingen” zitten. Mijn broertje toont mij zijn vreemde vondst. Er van overtuigd dat onze pa het niet zal merken dat het “ding” verdwenen is (wij hebben hem er nog nooit mee in zijn handen gezien) verbergen wij het op het grote duivenhok boven de kippenstallen. Het hok onder het dak, waar sinds de vorige huurder geen duiven meer hebben gezeten, beschouwen wij als ons eigen ridderkasteel.

 

In de daaropvolgende dagen zitten we dikwijls in ons “kasteel” te spelen met onze nieuwe vondst. We tonen aan onze speelmakker Joël ons “geheim wapen”. Mijn broertje en ik hebben nog nooit een film gezien. Er is geen bioscoop in ons dorp en het eerste tv-toestel is nog net niet in ons dorp geïnstalleerd. Maar Joël heeft in een Zottegemse bioscoop al eens een cowboyfilm gezien en weet ons dus te vertellen dat ons “geheime wapen” een revolver is, waarmee je vijanden kunt doodschieten. Eén van ons – ik weet niet meer wie – slaagt er na veel gepruts in het wapen te laden. We richten beurtelings het wapen op elkaar, maar hebben gelukkig het verstand de trekker niet over te halen, want we willen elkaar natuurlijk niet dood. Met de dood zijn wij al verscheidene keren geconfronteerd. We zagen al houten kisten met zowel door ziekte gestorven kinderen als grote dode mensen erin in de diepe kuilen op het kerkhof neerdalen. Papa slacht bijna elke zondag een kip of konijn en op de boerderij zien we ook regelmatig dode dieren. We weten dus al dat de dood een soort slapen is waarbij je nooit meer ontwaakt.

Toch willen wij de revolver eens uitproberen om te zien welk effect een schot heeft. Misschien kunnen we ons geheim wapen bij ons volgende oorlogsspelletje eens gebruiken om onze “vijanden” écht af te schrikken…

 

Achter het groenteveld van onze pa ligt een grote weide, eigendom van Boer Vijze. Daarop grazen overdag zijn koeien. Mijn broertje krijgt de 'lumineuze inval' om het wapen eens uit te testen op de koeien. Een koe doodschieten lijkt ons niet zo erg; ze wordt door de boer toch vroeg op laat afgemaakt voor de vleesconsumptie.

Met het geladen wapen in de hand en een aantal reservekogels in onze zak sluipen mijn broertje, Joël en ik als echte soldaten door de boomgaard en daarna door het veld, tot aan de weide van Boer Vijze, die van ons veld gescheiden is door een dikke haag. Ergens in de haag zit een groot gat, waar we dikwijls doorkruipen om op de weide te spelen. We sluipen naar het gat en ik probeer te richten op een van de koeien. Ik krom mijn wijsvinger om de trekker en haal hem over. De eerste keer gebeurt er niets, maar na een paar pogingen en gepruts aan de haan van de revolver baant de kogel zich met een luide knal en een enorme terugstoot van het wapen een weg richting koeien. De koeien stuiven uit elkaar, maar geen enkele valt neer. We proberen het opnieuw en opnieuw, elk om beurt, maar slagen er niet in het vijandelijke koeienleger neer te schieten.

 

We gaan zo enthousiast op in ons "oorlogsspelletje" dat we de tijd uit het oog verliezen. Ondertussen is papa thuis gekomen van het werk. Gealarmeerd door de luide knallen komt hij het veld opgelopen. We schrikken en proberen nog vlug het wapen in de haag te verbergen, maar het is te laat. Mijn vader ziet de revolver. Hij blijft stokstijf staan en wordt krijtwit. Dan komt hij luid vloekend op mij afgelopen. Hij rukt de revolver uit mijn handje en smijt hem met een wijde boog van ons af. Hij schudt me door elkaar en geeft me vervolgens zo’n ferme rammeling dat mijn billetjes nadien zo rood zien als een tomaat. Vervolgens komt mijn broertje aan de beurt. Joël is intussen vliegensvlug door het gat in de haag de weide van Boer Vijze opgerend, zodat hij aan een pak slaag van mijn vader ontsnapt.

 

Huilend ren ik naar mijn moeder, die in het café bezig is.

“Woarom edde nu weer ‘n pandoering gehad?” vraagt ze geschrokken, als ze de rode handafdrukken van mijn vader op mijn billetjes ziet.

Hakkelend en schreiend vertel ik haar het hele verhaal, vanaf de vondst van de revolver, ons oorlogsspelletje met de koeien, tot en met de daaropvolgende afstraffing van papa.

Mama valt haast flauw, rilt over haar hele lichaam en rent wenend de hof op. Mijn vader komt net uit de boomgaard, de revolver en de kogels in zijn hand; mijn huilend broertje in zijn kielzog. Pa lijkt volledig van de kaart, wist het zweet van zijn voorhoofd en kan geen woord uitbrengen. Zijn handen trillen.

Mama begint hem huilend de huid vol te schelden.

“’t Es nie die kindre ulder schuld, ’t es nondedjuu uwe stomme schuld!” roept ze wenend en boos. Ik heb mijn moeder nog nooit voordien horen vloeken. Mijn pa wel; die kan dat evengoed als de pastoor. “Woarom ebde verdomme dienen stomme revolver bewoard? Den oorlog es al lang veurbij!” huilt mijn moeder.

“’k Weenie… ‘k eb em b-bewoard veur ’t geval d’r nen derden wereldoorlog zou uitbreke… ‘k ad nuuit gepeinsd d-da de gaste em zoude vinde… ‘k ad em g-goe weggestoke…” probeert mijn vader zich stotterend te verdedigen (hij stottert wel vaker als hij opgewonden is).

“Ge weet da die kleine gaste alles afschoffiere! G’ad diene levensgevoarlijken brol al lang moete wegdoen!” bijt mama hem toe, terwijl ze ons beschermend tegen zich aandrukt.

“Kom, mannekes… ou nu op mee schreie. ’t Es de schuld van dienen grute loebas doar! Gelukkig es er niemand gewond geroakt.”

 

Onze papa begraaft de revolver en de overgebleven kogels in een diepe put, ergens in zijn veld. Maar het voorval krijgt kort daarop nog een staartje.

Op het duivenhok zijn nog een aantal kogels achtergebleven, die we na de afstraffing goed verborgen hebben. Mijn broertje haalt ze na enkele weken weer tevoorschijn. Hij wil eens onderzoeken wat er binnenin dat metalen omhulsel zit. In het werkhuis van onze pa probeert hij met een tang de kogelhuls open te prutsen. Als dat niet lukt steekt hij de kogel tussen de bankschroef. Hij draait de bankschroef aan, neemt een hamer en slaat er hard mee op de kogelhuls. Door de slag ontploft het kruit in de huls. De kogel schiet uit de vastgeklemde huls en boort zich met volle kracht door de houten poort. Hij slaat aan de andere kant van de straat in de gevel van het Duivenlokaal. Zowel mijn broertje als ik staan er verbouwereerd bij. We begrijpen dat we weer eens iets hebben uitgespookt dat we niet hadden mogen doen, en er ons dus weer een ferme ranseling te wachten staat. Maar we kunnen ons niet voorstellen dat we zopas weer aan een verschrikkelijk drama zijn ontsnapt. Had de kogelhuls in een andere richting vastgeklemd gezeten, dan had hij mijn broertje of mij kunnen doden. Of had er op straat juist op dat moment iemand in de kogelbaan gelopen, dan waren de gevolgen niet te overzien geweest.

 

Angstig en nog steeds bevend van het avontuur zoeken we alle overgebleven kogels bij elkaar. Nu wij ontdekt hebben welke kracht er in zo een klein ding zit, behandelen we ze met de grootste voorzichtigheid. We stoppen ze in een washandje dat we uit de wasmand gejat hebben en sluipen met onze gevaarlijke kleine vracht naar buiten. We rennen zo hard we kunnen door de velden achter het kerkje. We werpen de kogels in een gracht en wachten tot ze in de modder zijn weggezakt. Dan lopen we hijgend weer naar huis. We inspecteren het kogelgat in de poort. Nog voor onze pa thuis komt zijn we er in geslaagd het gat met een stukje hout en wat modder te dichten. Mama heeft niets gehoord en heeft ons zelfs niet gemist, want in het café is het op dat moment nogal druk. We zitten daarna nog weken met de schrik dat onze papa er zou achter komen, maar dat gebeurt gelukkig niet.