1957-leven-en-werk-05

Leven en werk van Antoine Bomon - 1957 - 05

Een televisietoestel uit 1957 van het merk Philips. Het is zo een toestel dat Irma en Vout in huis halen. Het wordt op een laag kastje in een hoek van hun woonkamer geïnstalleerd. Het toestel is via een kabel die door het plafond loopt verbonden met de dakantenne. Die antenne kan met een andere kabel in de woonkamer in de juiste positie gebracht worden, maar zo nu en dan moet Vout toch eens het dak op om de antenne met de hand bij te stellen. Een gevaarlijk karweitje!

Duivel-doet-al Tony Corsari.

Armand Pien en zijn gezellig weerpraatje.

Twee beelden uit Schipper naast Mathilde.

Ouders brengen jukebox en internationale hits naar Godveerdegem

 

Mama en papa overwegen aanvankelijk om ook een tv-toestel in het café te installeren. De meeste buren hebben nog zo geen wonderkastje en misschien zou dit hen naar ons café lokken. Maar anderzijds beseffen mijn ouders dat dit de omzet niet spectaculair zal doen stijgen. Wie naar de tv zit te gapen drinkt niet zo veel als tijdens een gezellig babbeltje aan de toog of bij een of ander caféspel. Dus zorgen ze voor een andere nieuwigheid in het dorp, die wel een flinke omzetstijging teweeg brengt. Ze kopen een jukebox voor het café, een indrukwekkende, echte Wurlitzer. Het reusachtige apparaat, bijna twee keer zo groot als mijn broertje (die nog altijd een halve kop kleiner is dan ik), heeft kleurrijke lampen die aan en uit floepen als de stekker in het stopcontact zit. Maar het indrukwekkendste is natuurlijk de muziek, die - zuiverder dan wij ooit hebben gehoord - uit “de buik” van het toestel komt.

 

De verkoper heeft het toestel compleet met een honderdtal vinylplaten afgeleverd, waaronder de grootste internationale hits van dat ogenblik. Mijn moeder en de aanwezige klanten proppen de jukebox vol met geldmunten, zodat we die eerste dag al urenlang kunnen luisteren naar wereldhits die tot dan in ons dorp nog totaal onbekend zijn: You Are My Destiny van Paul Anka, All I Have To Do Is Dream, Bird Dog en Devoted To You van The Everly Brothers, Lollipop (The Chordettes), I'm Gonna Love You Too (Buddy Holly) Volare (Dean Martin), Twilight Time (The Platters), Stupid Cupid (Connie Francis), Island in the sun (Harry Belafonte), March from the River Kwai en Colonel Bogey (Mitch Miller And His Orchestra), Summertime Blues (Eddie Cochran), Jailhouse Rock, King Creole en One Night (Elvis Presley), en nog talrijke andere onsterfelijke songs. Niemand van de aanwezigen in ons café begrijpt een woord Engels, maar de muziek klinkt goed en opzwepend, en gelukkig zitten er ook een aantal Nederlandstalige liedjes tussen, waaronder Koffie van Rita Corita, Mijn Duivenkot en Zie ik de lichtjes van de Schelde (Bobbejaan Schoepen), O, was ik maar bij moeder thuis gebleven en Twee reebruine ogen (Johnny Hoes) en Veel bittere tranen van Annie de Reuver. Dat laatste liedje wordt één van de lievelingssongs van mijn moeder. Als ze alleen is in het café laat ze het telkens weer draaien en zingt ze het uit volle borst mee. Mama heeft een volle, warme stem en zingt nooit vals. Was ze zangeres geworden, dan zou ze beslist succes geoogst hebben, maar dat heeft nooit in haar ambitie gelegen.

 

De aankoop van de jukebox is, commercieel gezien, een bijzonder goede zet van mijn ouders. De klanten kunnen nu zelf de liedjes kiezen die ze graag horen en de muntjes glijden overvloedig het apparaat binnen. Ons dorpscafé draait beter dan alle andere cafés in de buurt samen, vooral tijdens de weekends. Het is al jaren de best draaiende ontmoetingsplaats van ons dorp, maar nu verschijnen er steeds meer nieuwe gezichten. Vooral jongeren uit naburige dorpen die op zaterdagavonden en op zondagen bij ons hun stramme benen komen uitslaan op de opzwepende muziek die alsmaar populairder wordt. Een rock ’n roll dansen bij de flikkerende jukebox lijkt nog net iets te hoog gegrepen, maar ze amuseren zich kostelijk. Ze schudden samen met hun zondagse stropdassen de strakke leefregels van zich af en laten hun devote voorouders meer en meer achter zich. Bij een “troag liedse” durven de jongens de meisjes al eens wat dichter tegen zich aan te drukken tijdens het dansen, en zo nu en dan zie ik dat koppeltjes hun lippen héél lang op elkaar persen; een totaal ander soort zoentjes dan deze die Dianneke en ik soms wisselen. Er worden nu in ons café nieuwe vriendschappen geboren die soms in een echte relatie overgaan.

In andere delen van de wereld is dit soort muziek en dansen al enkele jaren ingeburgerd. Op 1 april (nee, dit is géén aprilgrap!) 1952 heeft paus Pius XII zelfs al de moderne dans aan de schandpaal genageld en verklaard dat deze het zondige gedrag bevorderen. Maar vijf jaar later en ver van het wereldvreemde Vaticaanse heiligdom verwijderd, laat nu ook de jeugd in ons dorp zich daar niet langer door weerhouden om de vrijheid van lichaamsexpressie van haar pijnlijk nijpende teugels los te wrikken. De pastoor in ons dorp aanziet het allemaal met een donderende blik en gaat zich dan maar bezatten in het “Duivenlokaal” rechtover ons café, waar het een heel stuk rustiger is dan in ons “duivelslokaal”. Ook de ‘hoge heren’ komen steeds minder bij ons over de vloer. Ze zoeken uiteindelijk vertier in rustiger oorden. Financieel is dat gelukkig geen groot verlies. De dansende jongeren drinken al wat meer en vlugger dan de ‘hoge heren’, die urenlang pijp- of sigarenrokend aan de tafeltjes zaten te kaarten en maar af en toe aan hun wijntje of jenever nipten.

 

Doordat de jukebox eigendom is van mijn ouders zijn ook al de inkomsten daarvan voor hen. Elke week wordt de grote geldbak uit het apparaat gehaald en worden de muntjes geteld. Mijn broertje en ik mogen daarbij een beetje meehelpen, door de geldstukjes op torentjes te stapelen. Had ik van alle geldstukjes die toen door onze handjes zijn gegaan een berg kunnen maken, dan zou ik daarop bij wijze van spreken met Dianneke zeker tot in de wolken hebben kunnen klimmen.

 

Mijn ouders worden er niet rijk van, maar ons gezin behoort intussen tot de meest welvarende onder de Godveerdegemse arbeiders- en middenstandsklasse. Die welvaart hebben we natuurlijk niet alleen aan ons café te danken. Ook het feit dat papa nog een vaste job in de bouw heeft, nog altijd fietsen verkoopt en herstelt en dat we zeer weinig geld moeten uitgeven aan gezonde voeding (alles groeit en bloeit achteraan in onze boomgaard en op het veld van papa) dragen daar toe bij, evenals de spaarzaamheid van papa en het feit dat we niet in overbodige luxe leven.

 

Mijn broertje en ik voelen deze welstand ook alsmaar duidelijker. Papa neemt ons al wat vaker mee naar de naburige stad Zottegem en we stappen dan al wat meer winkels binnen. We krijgen al wat vlugger een nieuw paar glimmende schoentjes of een stukje speelgoed waarvan we in de voorgaande jaren alleen maar konden dromen. En de “poasklokke van Rume”, “Sinterkloas” en “den eilige Kerstman” worden ineens ook een flink stuk vrijgeviger! Als we op die feestdagen ‘s morgens ontwaken ligt de keukentafel elke keer boordevol speelgoed en snoepjes, terwijl de klokken vroeger dikwijls over ons huis vlogen zonder één chocolade-eitje te laten vallen, en Sinterklaas “zijn bien gebroke had en da joar dus nie kon langskome”.

 

Mijn ouders, broertje en ik gedragen er ons echter niet anders om en voelen ons evenmin een ogenblik beter dan de rest van het dorp. We blijven ons vast ankeren aan de gelukzalige eenvoud van het bestaan. En we bidden nog elke dag even nederig tot God en het “Kindeke Jezeke”, uiterst dankbaar omdat we van elke vorm van ellende gespaard blijven en we elke dag van een grote vrijheid en natuurlijke weelde mogen genieten. We vermoeden echter nog niet dat er een enorm monster nadert, dat al deze gelukzaligheid in een niet meer zoverre toekomst volkomen zal verwoesten…

Precies dezelfde Wurlitzer staat in ons café.

Het eerste televisietoestel in ons dorp

 

Tot ieders verbazing is het Irma en Vout die in ons dorp als eerste een televisietoestel in huis halen. Er wordt op het dak van het woonerf van Irma en Vout een grote antenne geïnstalleerd zodat ze de televisie-uitzendingen van de NIR (Nationaal Instituut voor de Radio-Omroep, de voorloper van de BRT) kunnen ontvangen.

Mijn moeder, broertje en ik zijn de eerste buren die het “magische kastje” mogen bewonderen. Ik kijk mijn ogen uit wanneer ik, nadat het toestel opgewarmd is (wat ongeveer een minuutje duurt), een zwart-wit sneeuwbeeld zie en wat geruis en gekraak hoor. Maar mijn verbazing wordt immens groot wanneer ik, nadat Vout nog wat gesleuteld heeft aan de positie van de antenne, in de beeldbuis een stem en een bewegend beeld van een vrouw zie verschijnen. Ik wil het huis uitlopen, omdat ik denk dat de boerderij van Irma plots behekst is. Dat komt nu wellicht hilarisch en misschien zelfs ongeloofwaardig over, maar als kind van zeven heb ik nog nooit een bewegend filmbeeld gezien. We hebben nog nooit een bioscoop bezocht. Tijdens boodschappen in de naburige stad Zottegem heb ik in een etalage van een radiowinkel wel al eens zo'n raar toestel zien staan, waar we zijn nooit de winkel binnengestapt om zo'n apparaat eens in werking te zien.

Mijn nieuwsgierigheid belet de vlucht. “Zit die madam in da kaske?” vraag ik ongelovig.

“Nee, manneke! Die zit ergens in Brussel op ne stoel, moar eur beeld wordt met den elektriek uitgezonde deur de lucht en de antenne op ‘t dak vangt et weer op en tuunt et deur die grute ronde beeldbuize”, legt Irma met het air van een halfdronken ingenieur uit.

Ik begrijp niets van haar uitleg, maar kijk verbaasd naar dat wonderlijke ding, dat volgens mijn kinderbrein beslist moet gemaakt zijn door een machtige tovenaar. Ik schrik nog meer wanneer er enige ogenblikken later ineens een hele straat te zien is, met auto’s die voorbij rijden en mensen die over straat wandelen. Je hoort alle geluiden, de motoren van de auto’s, de voetstappen van de mensen over de straatstenen en hun stem als ze iets zeggen.

“D’r zit uuk ‘n ganse stroate in da kaske!” roep ik ongelovig.

Het is mijn allereerste kennismaking met de televisie, die al dertig jaar eerder uitgevonden is, pas in de jaren veertig gecommercialiseerd werd en in het jaar 1957 haar intrede maakt in ons dorp.

Voor mij blijft dat toestel en de technologie die er achter zit nog lang een mysterie. Soms zoek ik boven het dak van Vout’s huis de hemel af om te kijken of ik geen televisiebeelden door de lucht zie vliegen, want hoe kan een antenne iets opvangen wat je niet kan zien?

 

Tony Corsari , Armand Pien en Schipper naast Mathilde

 

Bijna elke woensdag en zondag mogen mijn broertje en ik bij Vout en Irma naar de televisie-uitzendingen kijken. De donkere, ruime woonkamer zit telkens afgeladen vol, met buren die mee van het zwart-wit spektakel genieten. Irma en Vout zitten als een trollenkoppel op een stoel vooraan, beide met een flinke kroes bier in de hand. Mijn broertje en ik zitten met nog wat andere kinderen uit de buurt in kleermakerszit voor het toestel. Naast en achter Irma en Vout zitten en staan telkens een tiental buren, die allen geboeid, in stilte en vol verwondering de uitzendingen volgen.

 

Het woord 'zappen' is nog niet uitgevonden in die jaren. Veel keuze heeft men niet bij het televisiekijken (slechts één kanaal) en het aantal uitzenduren is ook nog beperkt tot gemiddeld 4 uur per dag (op maandag zijn er zelfs geen uitzendingen en er is ook nog een zomerpauze - de televisieloze maandagen en de zomerpauze worden echter al in het daaropvolgende jaar afgeschaft naar aanleiding van de wereldtentoonstelling te Brussel, beter bekend als de 'Expo 58').

 

Mijn eerste grote tv-idool is presentator en quizmaster Tony Corsari, een veelzijdige entertainer die zowel kan presenteren, zingen, dansen als acteren. De legendarisch weerman Armand Pien is er ook al bij. Om de kijkers op te beuren bij slecht weer sluit hij zijn weerpraatje altijd af met een leuk grapje. Hij wordt daardoor in de daaropvolgende jaren enorm populair.

 

Waar mijn broertje en ik elke week het meest naar uitkijken is de televisiesitcom 'Schipper naast Mathilde', Deze humoristische televisieserie draait rond de gepensioneerde schipper Mathias, (vertolkt door Nand Buyl), zijn lieve zus Mathilde (Jetje Cabanier), de geadopteerde dochter Marianneke (gespeeld door Denise De Weerdt, vanaf 1959 door Chris Lomme onder de nieuwe naam Marieke), de bemoeizieke, naar omhoog gevallen Madam Krielemans (Josée Puissant), de stotterende en deftige Philidoor (Tuur Bouchez), de oerdomme maar grappige Sander (Jan Reussens) en de rondborstige Hyppoliet Maréchal (René Peeters). Deze laatste gebruikt voortdurend Franse uitdrukkingen, maar maakt continu taalfouten. Als men hem dan verbetert reageert hij altijd defensief: "Allez, 't is toch dade wat ik zééé!" Ook bezit het gezin een papegaai die regelmatig "koppeke krabbééééé" zegt en vaak commentaar geeft op wat er om zich heen gebeurt. Mijn broertje en ik liggen telkens in een deuk als de slimme papegaai commentaar geeft, maar mijn grootste favorieten zijn toch de domme Sander en de stotterende Philidoor.

 

'Schipper naast Mathilde' wordt het populairste televisieprogramma uit de beginjaren van de Vlaamse televisie. Dat wordt vooral toegeschreven aan de volkse aard van de serie. De personages spreken allemaal Antwerps dialect (wat wij niet allemaal begrijpen). Technisch is het in feite gefilmd toneel en ook de humor moet het vaak hebben van de typische gedragingen van de personages en kluchtsituaties. Veel van de episodes zijn live op antenne uitgezonden, zonder dat men een opname heeft bijgehouden. Daarom zijn er slechts 9 van de 185 afleveringen bewaard gebleven (deze zijn in het jaar 2005 allemaal op dvd uitgebracht).

 

Hoewel de televisietoestellen nog enorm duur zijn verschijnen er nadien meer en meer antennes op de daken. Dat heeft ontegensprekelijk een invloed op het sociale leven in ons dorp. Je ziet tijdens de uitzenduren alsmaar minder mensen gezellig aan hun voordeur een praatje slaan en minder kinderen buiten spelen. Ook in de dorpscafés ("stammineekes") voelen de uitbaters het.