1958-leven-en-werk-01

Jaarlijks sociaal hoogtepunt: kermis in het dorp

 

Het jaarlijkse hoogtepunt in het sociale dorpsleven is de kermis met wielerkoers. Papa en mama dragen daartoe een flink steentje bij.

Heel het dorp is in feeststemming. Op het kerkplein staan voor die gelegenheid een draaimolen voor de kinderen en een schietkraam voor de ouderen. Omdat de uitbater van de twee attracties in onze café gratis elektriciteit mag aftappen, mogen mijn broertje en ik onbeperkt op de draaimolen zitten. Zo word ik al vlug de absolute kampioen in het aftrekken van “de floche”. Wie deze kan bemachtigen, mag nog een ritje gratis meedraaien. Maar aangezien ik al gratis mag meedraaien zoveel als ik wil, is het mij niet daarom te doen, maar om aan de andere kinderen te tonen hoe behendig ik wel ben in het “flochetrekken”. Ik geef mijn trofee dan meestal door aan Dianneke, zodat ze de volgende rit naast mij in een wagentje kan zitten.

Dat molentje is tijdens de kermis de enige attractie voor kinderen, maar we krijgen er niet genoeg van.

 

Ik bezit geen foto's van de kermis, maar deze aquarel van Eric Debbaut, getiteld 'Kermis in Godveerdegem' geeft een impressie van de attracties die er in de jaren vijftig staan.

Het schietkraam met luchtkarabijnen is enkel voor de jonge kerels en de volwassenen, maar dat vinden mijn broertje en ik niet zo erg. Na ons avontuur met de revolver hebben we een figuurlijk broertje dood aan wapens, ook al lijken de kleine kogeltjes van de luchtkarabijnen heel wat onschuldiger. We staan er wel soms te kijken hoe de grote mensen de plaasteren pijpjes kapot knallen. Soms levert ons dat iets op. Niet alle schutters hebben kinderen en de trofeeën die ze winnen worden dus al eens aan ons gegeven, waardoor onze speelgoedcollectie elk jaar uitbreidt. De pluchen knuffels die ik soms krijg van de schutters geef ik natuurlijk meteen aan Dianneke, want voor die dingen voel ik me toch een beetje te stoer. Ik hou trouwens meer van de kusjes en knuffeltjes die Dianneke me geeft als ik haar een beertje of konijntje in de handen stop.

De stukken van de kapot geschoten pijpjes die op straat belanden verzamelen we. Ze worden gebruikt als krijt waarmee we op de straatstenen figuurtjes kunnen tekenen.

 

De wielerkoers: papa's stokpaardje

 

Het hoogtepunt voor groot en klein is echter de jaarlijkse wielerkoers tijdens de kermis. Dan leeft zelfs papa helemaal op en voor de organisatie is hij trouwens de belangrijkste spilfiguur. Hij is ook de grootste sponsor van dat wielergebeuren en zorgt voor de belangrijkste geldpremies en andere prijzen, zoals nieuwe tubes en fietszadels. Het is duidelijk dat dit jaarlijkse gebeuren hem doet denken aan zijn vervlogen droom om zelf profwielrenner te worden.

Bijna alle renners komen zich in de keuken achter onze café vóór en na de wedstrijd omkleden. Vóór de start kijkt papa nog eens grondig na of de kettingen van hun “koersfiets” goed gesmeerd en opgespannen zijn en of de “tubes” nog intact zijn. Als dat niet het geval is hangt hij een reserve tube rond de hals van de renner, zodat hij ze zelf onderweg kan vervangen als hij bandenpech krijgt. Papa controleert telkens ook vakkundig en secuur hun zadels, versnellingen en remblokjes.

 

De start en aankomst is telkens vlak voor onze café. Papa schildert met witte kalk een dikke aankomstlijn over de kasseien. Er worden een twintigtal toertjes gereden en bij elke ronde wordt een premie geschonken aan de eerste renner die over de streep komt. Die premie bestaat uit fietsonderdelen, een hesp of een kilo worsten (geschonken door een boer) of een geldpremie.

Wanneer we de renners bij elke ronde zien aankomen wordt er uitbundig gesupporterd. Iedereen heeft wel een eigen favoriet die hij met geschreeuw en handgeklap aanspoort om sneller te zijn dan de anderen. Mama, nochtans geen sportliefhebster, staat dan ook tussen het pintjes tappen door op straat toe te kijken en enthousiast mee te supporteren. Telkens wanneer de eerste renners de streep naderen schreeuwt ze lachend: “Alléz, deurtrappe jonges! Eft ulderen poep op! ’t Es veur ne schunen priem!”.

 

De winnaar krijgt benevens een geldpremie een mooie ruiker gedroogde bloemen, verpakt in cellofaan en uitgereikt door mama. De kleurrijke truitjes van de renners ruiken vóór de wedstrijd naar wasmiddel en stinken na de tientallen rondjes door het dorp naar zweet, maar mijn broertje en ik vinden in onze adoratie voor deze meestal nog onbekende jonge wielergoden alle geuren even aangenaam.

Soms kunnen mijn broertje en ik na de wedstrijd een rugnummer van een renner bemachtigen, waar we dan de naam van de “coureur” op noteren. Deze gaat dan in onze houten schatkist bij onze andere verzamelde schatten: kleurrijke glazen knikkers, afgetrokken knopen van de kleding van onze “oorlogsslachtoffers”, een skelet van een duif, een bot van een overledene die we op het kerkhof vonden, wat gladde keien en enkele koperen kogelhulzen die nog uit de Tweede Wereldoorlog stammen (we verzamelen echter geen ongebruikte kogels meer!).

 

Terwijl ik dit schrijf is het alsof ik weer de geur ruik van het product waar de jonge renners hun benen mee insmeerden vóór de wedstrijd. Ik voel zelfs plots een nostalgische drang opkomen om op de fiets te springen en vanuit mijn kantoortje in Gent naar Godveerdegem te sprinten. Maar – gesteld dat mijn rokerslongen nog zo een snelle rit van dertig kilometer zouden aankunnen – vrees ik dat ons kleine verleden van toen daar al lang opgelost is in de gebeurtenissen die zich in de loop van de daaropvolgende halve eeuw voltrokken. Hoewel ik bij mijn laatste bezoekje aan het dorp, nog niet zolang geleden, heb vastgesteld dat de tijd er voor een groot stuk is blijven stilstaan. Alleen zijn een aantal oude huizen vervangen door nieuwbouw, zijn de hoge tv-antennes al lang van de daken verdwenen en werden de straatkeien in de Tweekerkenstraat door beton vervangen. Maar ons huis van toen staat er nog; het vervallen café 'Den Duivenmelker' er schuins tegenover werd nog maar onlangs afgebroken. En achter de huizen strekken zich nog altijd de weiden en velden uit van een inmiddels al lang tot stof teruggekeerde Boer Vijze. Een lintbebouwing die het vroeger volstrekt geïsoleerde dorpje thans met de zeer nabijgelegen stad Zottegem verbindt, heeft de velden en weiden echter langs die kant uit elkaar gescheurd. Toen ik op het nog resterende stukje voetwegel stond, waarlangs we vroeger naar Zottegem trokken, kon ik in de verte een gedeelte zien van het Sint-Elisabethziekenhuis, waar mijn broertje en ik geboren zijn en waar mijn broer op 9 september 2014 ook overleed. Ook mijn geliefde moeder, mijn oppergodin, overleed daar twaalf jaar vóór mijn broer, in hetzelfde gebouw dus waar ze ons ter wereld bracht. Een immense innerlijke pijn om dit verlies, nostalgische mijmeringen over de tijd van toen en een onverklaarbaar heimwee dansten toen een wilde krijgsdans in mijn borstkas. Ik zou er nu alles willen voor geven om nog één seconde werkelijk te kunnen terugkeren in de tijd, om mijn moeder nog één keer als een gracieuze hinde door het café te zien dansen. En om mijn broertje nog één keer de “floche” te zien bemachtigen of op de kogelhuls te zien slaan, hoe gevaarlijk dat spelletje ook was.

 

Fietsenwinkel en werkhuis worden tijdens kermis dancing

 

Voor de jaarlijkse kermis wordt de fietsenwinkel van papa, die door een dubbele deur van onze café gescheiden is, volledig ontruimt en als danszaal ingericht. Papa bouwt elk jaar een klein podium in de winkelruimte, met lege houten biertonnen en geschaafde planken, en mama versiert muren en plafonds met kleurrijke papieren slingers en lampionnen, die mijn broertje en ik helpen uitsnijden en aan elkaar plakken. Papa’s grote werkhuis, aan de linkerkant van het café, wordt voor die jaarlijkse gebeurtenis eveneens telkens voor meer dan de helft ontruimd. Al zijn materiaal, werkbanken en fietsen worden naar de achterkant van het werkhuis gesleept en door een geïmproviseerde scheidingswand aan het oog onttrokken. Het voorste gedeelte van het werkhuis wordt grondig geschrobd. De muren worden ieder jaar opnieuw gewit en eveneens versierd met kleurrijke papier- en lampenslingers. Verscheidene buren komen daarbij helpen en ook mijn broertje en ik voelen ons dan al volwassen werkmannen. De grote jukebox wordt heel voorzichtig met man en macht naar deze ruimte overgebracht. Dit geïmproviseerde danszaaltje is tijdens de kermis de plaats waar de jongeren uit het dorp uit de bol mogen gaan en stuntelig mogen staan dansen op de tonen van de al naar onze contreien overgewaaide rock ’n roll hits. Dat schouwspel is vaak hilarisch. Niemand uit ons dorp weet immers al hoe je op een rock ’n roll moet dansen. Sommigen proberen het met een versnelde wals of tango, bij anderen lijkt het eerder op de paringsdans van een stel verhitte chimpansees. Er wordt op de tenen getrapt, gestruikeld, gelachen en gebruld, maar iedereen vermaakt zich ongeremd.

 

Ik weet intussen dat de jongeren van het dorp toen geleidelijk aan een nieuw magisch bewegingsritme aan het ontdekken waren: dat van een bevrijdende lichamelijke expressie, los van conventies en schools ingestudeerde danspasjes. Als kind zie ik dat uiteraard nog niet; ik vind het feestelijke schouwspel gewoon betoverend en probeer met Dianneke de oudere koppeltjes te imiteren. Alleen raak ik nooit haar borstjes aan (althans de plaats waar deze later zullen groeien). Dat zie ik sommige grote jongens tijdens het dansen wel eens doen bij de meisjes, en ik weet dat dit “vies” is en dat er tussen Dianneke en mij nooit iets “vies” mag gebeuren.

 

In het café kunnen de oudere dorpsbewoners – benevens drinken en uitzinnig plezier maken – een gepluimde kip, geslacht konijn, worsten en een hesp winnen door deel te nemen aan een kaarting of aan de vogelpik- en bakschietwedstrijden.

In de eveneens tot danszaal omgevormde winkelruimte, met het kleine podium dat juist genoeg plaats biedt aan een zingende accordeonist en dito drummer, kunnen ze na de wedstrijden tot in de late uurtjes meebrullend de benen uitslaan op onsterfelijke volksdeuntjes.

Eén van de meest populaire liedjes, dat zelfs mijn broertje en ik telkens meejanken, is de "boerinnekesdans". Ik herinner me nog heel goed de melodie en een paar flarden van de tekst:

 

Zie de boerinnekes hun rokjes zwoaien

't Is kant en broderie

Tot bove oan hun knie

Zie de boerinnekes hun rokjes droaien

Noar achter en noar veur

Zu goat het alsmoar deur

 

Loat ze moar zwoaien, loat ze moar goan

Wees gerust, ten kan gien kwoad

Loat ze moar droaien, loat ze moar goan

Als we duud zijn es't te loat...

 

Vreemde kriebels in mijn onderbuikje

 

Dianneke en ik zitten op een stoel vlakbij het geïmproviseerde podium. Onze ogen dwalen van de zingende accordeonist en de drummer naar de verhitte en blozende vrouwen, die al een beetje bedwelmd door het bier en de jenever hun rokken laten zwaaien en zelfs optillen, om de dansende mannen nog wat meer op te hitsen en tot nog levendiger vermaak uit te dagen. En als de accordeonist de eerste tonen inzet van Bobbejaan Schoepen’s oud maar onstergelijk “duivenkotlied” ('k Zie zo gere m'n duivenkot, 1950), voel ik de vermoeidheid uit mijn beentjes trekken. Ik spring recht en kweel het lied vlak voor het podium mee, met een denkbeeldige micro in de hand. Dianneke springt dartel recht en applaudisseert uitbundig. Ik voel mij haar ridder en haar held.

Enkele keren dansen we ook in deze ruimte samen. Het is eerder een stuntelig rondjesdraaien, maar haar nabijheid en de frisse geur van de zeep waarmee ze zich gewassen heeft bedwelmt mij zodanig, dat ik toch soms kriebeltjes in het onderbuikje voel. Zonder iets te zeggen loop ik dan beschaamd terug naar de stoel en ga stokstijf zitten, de beentjes stijf tegen elkaar geperst en niet wetende wat er in mijn lijfje gebeurt. Dianneke komt dan weer naast mij zitten, vraagt gelukkig niet waarom ik plots de dans onderbroken heb. Ze glimlacht alleen maar haar parelwitte tandjes bloot, en we genieten dan weer als twee brave kleine tortelduifjes verder van het spektakel. Om na een poosje opnieuw elkanders handje vast te grijpen, in een niet te verklaren innerlijke onrust die meer lawaai maakt dan de accordeonmuziek en de drum.

Leven en werk van Antoine Bomon - 1958 - 01