1958-leven-en-werk-02

'Circus Bomon', het eerste stuntteam van Godveerdegem

 

Soms beleven mijn broertje en ik halsbrekende avonturen, die meestal voortvloeien uit iets wat we elders hebben gezien en die we in kinderlijke overmoed proberen na te apen. Zo levert het aanschouwen van een stunt zoals op de foto hiernaast en één zinnetje van mijn geliefde vriendinnetje mij de inspiratie om in ons dorp een eigen stuntteam uit de grond te stampen.

 

Op een dag neemt papa Jean-Pierre en mij mee naar Zottegem. Een wereldberoemd stuntteam geeft er op het plein voor het stationsgebouw een spectaculaire voorstelling met fietsen, moto’s en auto’s. Hoog in de lucht zijn stalen kabels gespannen, waarover evenwichtskunstenaars met speciale fietsen van de ene naar de andere kant fietsten, zonder vangnetten (wat toen nog toegelaten is). Moto’s en auto’s rijden in volle vaart over schansen, springen over andere auto’s heen, scheuren door vuurhoepels en springen via schansen over tientallen mensen, die uitgestrekt op de grond liggen. Mijn broertje en ik hebben nog nooit eerder zo iets adembenemends gezien en zijn enorm onder de indruk. Het is ook één van de uiterst zeldzame keren dat papa ons meeneemt naar een evenement. Wij kennen daarvoor alleen de jaarlijkse kermis en de wielerkoers en hebben nog nooit een bioscoop, museum, dierentuin of pretpark gezien.

 

Papa geniet ook zichtbaar van het spektakel. Hij is geboeid door alles wat wielen heeft. Hij heeft zelf een zware moto, die hij na de oorlog eigenhandig in elkaar geknutseld heeft uit enkele motowrakken die door de Duitsers werden achtergelaten. Eerder in de jaren vijftig heeft hij ons zelfs verscheidene keren met die moto naar de familie van mijn moeder gebracht. Mama zat dan op het tweede zadel achter papa, en mijn broertje en ik in het zijspan. Het waren lange ritten, over hobbelige wegen, maar wij hebben er telkens meer van genoten dan wanneer wij met de stoomtrein naar Wallonië zouden gereisd zijn. Hoewel wij nooit een ongevalletje hebben meegemaakt, durfde mama op een gegeven moment niet meer achteraan op de moto zitten. Ze heeft regelmatig last van flauwtes en draaiingen. Papa deed het zijspan van de hand, behield de moto, maar rijdt er nog maar zelden mee. Hij gebruikt de moto alleen nog om er mee naar Frankrijk te rijden als hij ginds gaat werken.

Na het adembenemende stuntspektakel stappen we een café binnen in de buurt van het station. Papa kent er enkele mensen. Er wordt druk en met ontzag over de stunts gepraat. Dianneke en Joël zijn er toevallig ook, met hun zusje en ouders. De kleine Dianne is ook enorm onder de indruk van wat ze gezien heeft. “Da zijn échte manne!” hoor ik haar nu nog zeggen, met iets in haar stem dat een totale adoratie en overgave verried. Dat éne zinnetje, dat mij zelfs een licht steekje van jaloezie bezorgt, is voor mij meer dan genoeg om haar eens te bewijzen dat ik ook zo “nen échte man” ben. Mijn creatief breintje en mijn kinderlijk verlangen om even beroemd en vereerd te worden als Jan Zonder Vrees, Eric de Noorman en Bobbejaan Schoepen, beginnen meteen als een in elkaar gevlochten tweeling op volle toeren te draaien.

 

’s Anderendaags, wanneer papa naar het werk is, maak ik met mijn broertje, Joël en nog enkele andere rakkers uit de buurt een plan op om in ons dorp ook een acrobatencircus op poten te zetten. Het is vakantie, dus hebben we alle tijd om de koppen bij elkaar te steken en enkele spectaculaire stunts uit te dokteren. Aanvankelijk vinden de meeste spitsbroedertjes mijn plan een beetje te riskant, zeker het onderdeel met het vuur dat ik in gedachten heb. Maar ik blijk overredingskracht genoeg te hebben om hen te kunnen overtuigen het toch te wagen. Uiteindelijk zal ik trouwens de meest gewaagde stunts voor mijn rekening nemen, want ik wil mijn toekomstige heldenstatus met niemand delen. Dianneke mag geen twee of drie "échte manne" aanbidden. De andere jongens hoeven dus (liefst) niet te veel te doen, zodat alle aandacht op mij gericht zal zijn. De anderen moeten slechts mijn ondergeschikte “assestenten” zijn, de nederige schildknapen van “den grute onverskrokke kastielridder”.

Op de fiets heb ik trouwens al eerder bewezen dat ik de beste stuntkampioen van het dorp ben. Ik kan starten met het voorwiel in de lucht, een eindje op één wiel verder rijden, zonder handen rijden, in volle vaart van de fiets springen en een koprol maken, al rijdend mijn voeten op de bagagedrager plaatsen en nog een paar dingen meer. Het heeft me al heel wat schrammen, blauwe plekken, open knieën, gezwollen ellebogen en verstuikte polsen gekost, maar gelukkig heb ik nog geen enkele keer een ernstige breuk opgelopen en kan ik tegen een stootje. Als je een grote indruk wilt maken op je teerbeminde vriendinnetje moest je wat pijn kunnen verdragen, nietwaar! Jan Zonder Vrees en Eric de Noorman hebben hun roem trouwens ook niet verkregen door bij hun mama te gaan uithuilen als ze zich eens bezeerden.

 

Drie dagen werken we in het diepste geheim aan de voorbereidingen van ons “circusprogram”, en op een zonnige namiddag zijn we er klaar voor. We slepen planken naar buiten, oude kranten en brandhout en emmers met water. Ik heb tekeningetjes gemaakt van hoe wij een schans moeten maken: een lange stevige smalle plank, met aan de ene kant een op de kop gezette emmer eronder, zodat wij een hellend vlak hebben. Als een echte technicus controleer ik nog eens mijn fietsje. Banden goed opgepompt, ketting ingevet en goed aangespannen, remblokjes oké… Uit een stuk oud linnen heb ik een vlag gemaakt. Bij gebrek aan verf en penselen heb ik de letters er met mijn vingers opgeschilderd, met het dikke bruine vet dat papa gebruikt om kettingen in te smeren. De letters zijn wat uitgelopen, maar de tekst is leesbaar: 'Circus Bomon'. De vlag wordt met een stok op de bagagedrager van mijn fietsje gemonteerd. Om de fiets een beetje op een moto te laten lijken heb ik enkele speelkaarten gejat uit ons café en ze met wasknijpers op het fietskader vastgemaakt. Als de wielen draaien botsten de kaarten tegen de wielspaken en maken ze een geluid dat met een beetje verbeelding op het geluid lijkt dat een moto maakt. Ik rijd me eerst wat warm en vind dat het spektakel kan beginnen. De schans wordt in het midden van de Kerkstraat geïnstalleerd. We hebben het geluk dat er hier maar enkele auto’s per dag voorbij rijden, zodat we geen verkeer hinderen. Als er tijdens de show dan toch een auto aankomt, moest die bestuurder maar even wachten en meegenieten van de gratis voorstelling. Er zitten al wat mensen voor hun deur, die zich wellicht afvragen wat we nu weer gaan uitspoken. Nou, de vlag op mijn fiets maakt het hen wel duidelijk. Voor het eerst in de geschiedenis zullen ze in hun dorp een “fantastisch stuntteam” aan het werk zien!

 

De eerste stunt is nog niet zó spectaculair. Ik vertrek zo’n tien meter vóór de schans, het voorwiel in de lucht. Vervolgens trap ik hard op de pedalen en stuif over de hellende plank. Ik blijf ongeveer een meter in de lucht hangen alvorens ik weer met de wielen de kasseien raakt. Dianneke kijkt toe, klapt luid in de handjes. Eerste stunt geslaagd. Eerste (nog wat bescheiden) applaus ontvangen. Vervolgens vraag ik aan enkele makkertjes om achter de schans plat op hun buik te gaan liggen. Ik zal er via de schans met de fiets overspringen. Eerste poging met drie neerliggende kereltjes. Met volle snelheid over de schans én over hun lichamen zonder ze te raken. Tweede stunt geslaagd. Al een beetje meer applaus, en ook al een beetje meer volk op straat. Bij de volgende stunt zal ik over nog méér uitgestrekte lichamen springen. Er zijn zes kandidaatjes die het aandurven om achter de schans te gaan liggen. Zelfde scenario, maar nu met nog wat meer snelheid. Ik moet me tot het uiterste concentreren om de wielen van de fiets precies in het midden van de smalle plank te houden. Als ik er afschuif zal dat een zeer pijnlijke valpartij betekenen. Ook deze stunt slaagt, hoewel ik na de zweeftocht door de lucht nogal hard op de kasseien neerkom en veel moeite heb om de fiets in evenwicht te houden, maar het lukt. Ik moet bij het neerkomen toch heel eventjes het been geraakt hebben van het ventje dat het verst van de schans lag, want hij sprong schreeuwend op, wreef eens over zijn been en mankte jankend naar de kant.

 

Dan komt de meest spectaculaire stunt. Achter de schans steken we met krantenpapier en brandhout een vuur aan. Nu zal ik met de fiets over de schans door de vlammenzee springen. Ik heb gezien hoe die grote stuntmannen met hun moto’s door vuurhoepels sprongen zonder dat ze in brand vlogen. Ik heb aan papa gevraagd hoe het komt dat ze geen vuur vatten als ze door de vlammen rijden. Hij legde me uit dat de vlammen door de luchtverplaatsing opzij wijken.

Nu is het dus mijn beurt om een dergelijke stunt uit te halen; een stunt die er heel gevaarlijk en spectaculair uitziet, maar het eigenlijk niet is. Toch vertrouw ik het niet helemaal en ik heb aan mijn broertje en Joël gevraagd om naast de schans klaar te staan met elk een emmer water in de hand. Als ik met de fiets door de vlammenzee spring en ik toch vuur zou vatten, moeten ze meteen de emmers water over mij uitgieten.

Zo gezegd, zo gedaan. De vlammen schieten intussen al tot een meter hoogte op. Ik sla een kruisje, vraag nog vlug aan “Jezeke” mij te beschermen bij deze gewaagde stunt, en vertrek. Ik trap zo hard ik kan op de pedalen, richt mijn blik op de smalle plank. Nu mag er zeker niets misgaan of ik zou pardoes in de vlammenzee terechtkomen.

Ik zie nog net hoe enkele buren zorgelijk de voorstelling proberen af te breken, maar ze zijn te laat. Ik schiet als een pijl uit een boog over de hellende plank, zoef door het vuur en zweef nog een paar meter door de lucht alvorens ongeschonden op de kasseien terecht te komen. Ik heb niets van de warmte of van de vlammen gevoeld toen ik er door zoefde, maar bij het neerkomen slaag ik er toch niet helemaal in mijn fiets in evenwicht te houden. Ik val zijlings en schuif nog wat verder, met een paar schaafwonden aan mijn knie en onderarm tot gevolg. Omdat ze dachten dat het vuur mij toch te pakken had gekregen goten Jean-Pierre en Joël in paniek de emmers water over me heen, zodat ik in plaats van vurige hitte niets anders dan koude nattigheid voelde.

 

In de ogen van de kinderen ben ik nu een Grote Held met hoofdletters. Dianneke slaat in opperste adoratie haar armpjes om me heen, waardoor ze uiteraard ook kletsnat wordt. De buren zijn verdeeld in hun mening. Jefke, de doofstomme klecht van Boer Vijze, staat luid in de handen te klappen, maar Irma, zijn moeder, komt naar mij toegelopen en geeft me een ferme draai om de oren, met de vermaning dat wij zulke “gevoarlijke onnuzeleden” niet meer mogen herhalen.

Nadat ik nog een 'ereronde' heb gereden, de pijn door de opgelopen schaafwonden verbijtend, wordt de straat met vereende krachten weer netjes opgeruimd. Mama, die druk bezig is in de keuken achter het café, heeft niets van de voorstelling gezien. Wanneer ze hoort welke gevaarlijke toeren ik nu weer heb uitgehaald, slaat ze machteloos de armen ten hemel en roept: “Waai, mijn schoapen! Wa goa ‘k nog allemoal mee ulder meemoake! Wacht tot da papa da uurt. Den diene zal kwoad zijn!”

Ik weet dat mama niets tegen papa zal zeggen. Mama is al bezorgd bezig de schaafwonden uit te wassen. Mijn elleboog staat een beetje gezwollen en ziet rood, maar omdat Dianneke vol bewondering en met een verliefde blik in haar oogjes naar mij staat te kijken, vertik ik het om in huilen uit te barsten. Ik bijt op mijn onderlip om de tranen in de traanzakjes te houden.

 

Zoals verwacht zegt mama niets over onze voorstelling aan papa. Maar de buren kunnen natuurlijk hun snavel niet dichthouden en vertellen hem met verve hoe ik de hele straat op zijn kop heb gezet met mijn “gevoarlijke acroboatentoeren”, en hoe ik zelfs een jongetje heb geraakt met mijn wiel.

Had ik nog even durven hopen dat papa mij nu ook zou bewonderen om mijn stuntkunsten en heldenmoed, dan wordt die hoop meteen aan diggelen geslagen. Ik krijg een oorvlaai waarvan ik een pirouette draai en moet daarbovenop als straf nog een half uur op mijn knieën op de pannenlat gaan zitten, de armen in de lucht.

Gelukkig is Dianneke daarbij niet aanwezig en heeft ze deze vernedering van “euren échte man” dus niet moeten aanschouwen. In haar lieflijke ogen ben ik nu toch haar meest aanbeden held. Dat is alle spanning, gevaar (en de afstraffing nadien) wel waard.

 

Mijn broertje en ik hebben daarna nog wel meer gevaarlijke en onbetamelijke stunts en schelmenstreken uitgehaald. Kinderen zijn nu eenmaal kinderen en om het even welke vermaning of straf kan hen nooit helemaal tot volstrekt rechtlijnig lopende engeltjes boetseren. Nieuwsgierigheid, de lokroep van het onbekende en de drang om door allerlei prestatiespelletjes en opschepperij naar het leiderschap van de roedel te hengelen zit biologisch ingebakken. Een strenge opvoeding, vermaningen, opgelegde regels en straffen kunnen veel “losbandige”’ neigingen beteugelen, maar nooit volledig uitroeien. Hoe streng onze papa ook was en hoeveel gezag hij ook over ons had: als hij niet in de buurt was waren wij onze eigen heer en meester. Dan luisterden wij slechts naar wat ons op dat moment ingegeven werd, naar wat wij op dat moment wilden bewijzen, ook al wisten wij heel goed dat wij het daarna met een pak rammel zouden moeten bekopen. De drang om alles eens uit te proberen, om je eens even groot en stoer te voelen als een volwassene, om een “eervolle” plaats te bemachtigen in je vriendenkringetje is meestal sterker dan de angst om gestraft te worden.

Er zijn uiteraard kinderen die zich nooit aan “gevaarlijke” of rebelse spelletjes wagen, die geen enkele uitdaging durven aangaan, die zich doorgaans wel min of meer aan de regels houden die ma en pa en de maatschappij hen opleggen. Wij hadden ook zulke vriendjes. Doch, dat waren maar “schijtluizen” en “broekziekers” in onze ogen. Op school of in de groepjes hadden ze niks te betekenen. Zij waren het decor, de eeuwige toeschouwers, de knechtjes. Ze werden aanvaard, maar niet gerespecteerd. Dergelijke kinderen zijn in elke leefgemeenschap de muurbloemetjes, en dikwijls blijven ze dat ook in hun latere leven. Meestal heeft het allemaal niets of maar weinig te maken met opvoeding en alles of veel met de ‘natuur’ en het karakter van het kind.

Leven en werk van Antoine Bomon - 1958 - 02