1958-leven-en-werk-03

Leven en werk van Antoine Bomon - 1958 - 03

De neukende herders van God

 

In het jaar van de legendarische wereldtentoonstelling te Brussel (Expo 58), verbreken mijn ouders plots alle banden met de katholieke kerk. Twee kort op elkaar volgende gebeurtenissen met katholieke geestelijken vormen de oorzaak. Eerst is er “Poater Patotter”, een missionaris “van den Congo”, die zo nu en dan eens in ons dorp opduikt. Hij is goed bevriend met de dorpspastoor en komt regelmatig in ons café. Niemand kent zijn echte naam. Hij wordt “Poater Patotter” genoemd omdat hij bij de boeren “patotters” (aardappelen) ophaalt “veur de arme zwarte kiendses (kinderen) in den Congo”. Mijn broertje en ik zijn onder de indruk van zijn verschijning. Een kaal geschoren kruintje, een lange grijze baard, doordringende ogen, een mager lichaam in een bruin paters habijt, bruine lederen sandalen… hij lijkt uiterlijk op een echte heilige uit de tijd van Jezus, zoals wij ons die in onze kinderlijke verbeelding voorstellen. Maar zó heilig blijkt deze door de katholieke kerk gewijde dienaar van God niet te zijn. Hij drinkt in ons café jenever zoals een koe water, terwijl hij zelfverheerlijkende en heldhaftige verhalen vertelt over zijn leven als missionaris “bij de wilde zwarten in den Congo”. Wanneer hij zodanig veel jenevers gedronken heeft dat hij niet meer uit zijn woorden komt, waggelt hij naar buiten en zoekt hij onderdak in één van de omliggende boerderijen.

Op een dag staat ons dorp in rep en roer. Het blijkt dat “Poater Patotter" een jonge boerendochter zwanger gemaakt heeft. Het komt ook aan het licht dat de “patotters” die hij ophaalde niet naar “den Congo” zijn verscheept, maar dat de pater ze doodleuk doorverkocht aan een Zottegemse handelaar en het geld in eigen buidel stak. De inwoners van ons dorp (en zeker mijn ouders, die de pater ook financieel steunden) zijn razend, maar “Poater Patotter” is intussen spoorloos verdwenen en laat zich nadien nooit meer zien in het dorp.

Doordat ik de woorden die mijn vader toen uitsprak een paar jaar later (toen ze nog fris in mijn geheugen zaten) in mijn dagboek noteerde, zijn ze mij altijd bijgebleven: “Als dienen smerigen poater ier in onze paroche nog zijne vleselijken dolk nie onder zijn gewoad kon ouwe, wie weet oeveel arme zwarte wijvekes ij in den Congo al nie volgestoke eeft! D’r zullen ginder in die woarme boskens nogal wa kiendses rondlupe van al die misjonoarissen!” Waarop mijn moeder dan boos reageert: “Als er nog uuit ne kier ne poater geld komt vroage veur Saint-Antoine, dan zal ‘k em eens ’t adres vroage van Saint-Antoine in den emel, en ‘k zal zegge da’k ’t geld zelf wel noar den emel zal opsture!”

 

De tweede gebeurtenis die het geloof van mijn ouders in de katholieke kerk uitdooft is te wijten aan de dorpspastoor, zoals eerder gezegd al jaren de schrik van elk kind en van vele volwassenen. Veel christenen storen zich al lang aan zijn dominant gedrag, aan zijn vieze verschijning, zijn drankzucht, bemoeienissen met het gezins- en zakenleven en aan nog wat ongeoorloofde dingen meer. Er worden al verscheidene “onchristelijke” verhalen over de dorpsherder gefluisterd. Zo zou hij onder meer die opzichtige Cadillac niet van de bisschop gekregen hebben als dank voor al zijn goede werken zoals hij beweerde, maar gekocht hebben met geld dat hij bij de dorpsbewoners ophaalde voor de zogezegde restauratie van de kerktoren. Een boer die voor een zakelijke aangelegenheid in de vlakbij gelegen stad Zottegem was, zou de pastoor ook al eens op een late avond beschonken en in burgerkleren zien buitenkomen hebben uit “een kot woar da ge veur ‘n buidelke centen ne kier goe uwen zak kunt leegschudden.”

De gelovige dorpsbewoners blijven hem echter jarenlang tolereren, omdat hij nu eenmaal “een herder van God” is en in het dorp de énige “gewijde man” die de biecht kan afnemen en de sacramenten mag toedienen. Maar op een dag barst de bom. Zijn uitspattingen moeten dan toch aan de oren gekomen zijn van het bisdom en de pastoor wordt meteen uit zijn ambt ontzet. Een aantal woedende boeren en dagloners verjagen hem, gewapend met stokken en rieken, uit het dorp.

Er komen later nog enkele hoge geestelijken naar het dorp om de zaak verder te ‘onderzoeken’. De Cadillac wordt in beslag genomen, de massa’s flessen en vaatjes wijn uit de kelder van de pastorie gehaald, maar niemand ziet een frank terug van het geld dat hij of zij geschonken heeft om de kerktoren te restaureren. Het geval wordt door het bisdom in de doofpot gestopt. Geen enkele krant krijgt er lucht van.

 

Mensen kunnen nu aan de juistheid van deze gebeurtenis twijfelen en denken dat ik het verhaal uit mijn duim zuig om de plotse afkeer van mijn ouders tegenover de katholieke leer te verantwoorden. Sommigen zullen dat misschien denken omdat er in geen enkel historisch of heemkundig document of in geen enkele krant uit die tijd iets over deze gebeurtenis geschreven staat, en er ook in geen enkele internetbron iets over terug te vinden is. Maar ik bezit gelukkig nog een origineel document uit die tijd; een gedicht met als titel 'Afscheidsgroet aan den Godslasteraar', dat in 1958 op een typemachine geschreven is door een dorpsgenoot. Het document is bewaard gebleven omdat de jongeman die vier jaar later mijn ‘pleegvader’ werd (zie het jaar 1962) het ruim een halve eeuw bewaarde tussen zijn bijbel. Het is thans in mijn bezit en ik publiceer het op deze pagina. Voor een eventuele wetenschappelijke controle op de originaliteit en de ouderdom van het document wil ik het wel eens uitlenen.

 

Deze gebeurtenissen zijn er maar twee van de ontelbare die door de kerkelijke macht in de doofpot zijn gestopt. Daarmee wil ik zeker niet laten uitschijnen dat vrijwel alle geestelijken regelmatig eens met de duivel op zwier gaan. Maar het verklaart waarom alsmaar meer mensen in die jaren de kerk de rug toekeren en hun heil zoeken in andere religies, of atheïst worden. In Godveerdegem zorgen die twee “neukende herders van God” er alvast voor dat het kerkbezoek bijna halveert en dat bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen de socialisten het beter doen dan de kandidaten van de Christelijke Volkspartij.

 

De pastorie van Godveerdegem, waar de tirannieke en ontuchtige dorpspastoor in de jaren vijftig woont.

Expo 58: naar België overgebrachte zwarte mensen worden als exotische beesten tentoongesteld in Congolees paviljoen

 

Het is in in onze huidige tijd gelukkig niet meer denkbaar, maar in 1958 kan dat afschuwelijk vertoon nog! Het overgrote deel van de Belgen heeft nog nooit een zwarte mens gezien en beschouwen ze nog als "wild" en "minderwaardig". Deze mensonterende opvatting, ingegeven door dommigheid, onwetendheid of uit een ziekelijk ubermensch gefühl, wordt in die jaren nog aangedikt door onze eigen beleidsmensen van toen. Naar aanleiding van Expo 58 wordt in Brussel een inheems dorp gebouwd (bovenste foto), waar naar België overgebrachte Congolezen de bezoekers vergasten op traditionele Congolese gezangen, uiteraard in de gepaste kledij. Veel toeschouwers raken zo vertederd door het 'schouwspel' dat ze de "negers" bananen toewerpen en de Congolese kinderen binnen de omheining letterlijk voeren zoals men aapjes in de zoo voedert (onderste foto).

Het kan zijn dat het oorspronkelijke gedicht uit nog meer coupletten bestond. Van het in acht gevouwen blad (kwartoformaat) is de rechterhelft verdwenen.