1958-leven-en-werk-04

Verlost van kerk, pestheiligen en biechtstoel

 

Nu mijn ouders de banden met de katholieke kerk hebben verbroken, zijn mijn broertje en ik verlost van de voor een kind bijzonder vervelende zondagse kerkgang, van de donderende preken van de gevallen dorpsherder en van de slaapverwekkende liturgische gezangen van het kleine kerkkoor in een onbegrijpelijk Latijn. En we zijn vooral verlost van die verschrikkelijke wekelijkse biecht in die vreemd ruikende oude biechtstoel! Dat waren altijd momenten dat ons hartje twee keer sneller klopte dan normaal. Doorbrave engeltjes zijn mijn broertje en ik niet, maar eerlijkheid is ons al vanaf de dag dat wij ons eerste woordje konden zeggen ingestampt. We durfden dus niet te liegen tegen de pastoor en biechtten altijd vroom onze "zondekes" op, vaak hakkelend en met knikkende knieën. Dat ik de twee roodharige "Vandenboskes" die wat verderop wonen pestte met het liedje "roste, hoeveel moe ge koste, 'k zal u kuupe veur achter mijn kiekes te luupe", dat ik tijdens het avondgebed aan Dianneke dacht in plaats van aan "Jezeke", dat ik naar het "pietje" van Joël heb gekeken terwijl hij stond te plassen en andere 'kinderzonden', waarvoor we dan als straf een aantal "weesgegroetjes" en "onzevaders" moesten afdrammen om ons zieltje weer te zuiveren.

Daar zijn we nu dus allemaal van verlost, en voor mijn broertje en mij betekent dat nog een paar uurtjes extra vrijheid in de weidse omgeving. We worden geen atheïsten. Er wordt nog gebeden aan tafel en voor het slapengaan. De plaasteren heiligenbeelden blijven onder hun glazen stolp op de schouwsteen staan en mama blijft haar "Saint-Antoine" om hulp vragen als er iets misloopt.

Ons café zit nu ook de zondagvoormiddag nog voller dan ervoor. Mijn ouders zijn niet de enige dorpelingen die na de ongeoorloofde daden van de pater en de pastoor het kerkportaal voorbij lopen. En in plaats van de kerk worden de cafés nu zowat hun zondagse ontmoetingsplaatsen. Er wordt duchtig gelachen, geroddeld, met de kaarten en de vogelpik gespeeld en wedstrijden bakschieten gehouden. Het bier en de jenever vloeien rijkelijk; de kassa rinkelt. Mama geeft af en toe een klant een klap rond de horen als zijn handen wat te dicht bij haar rondingen zweven. Papa is niet zo vaak in het café te vinden. Hij zit meestal in zijn werkhuis, zijn stallen, de boomgaard of in zijn groenten- en aardappelenveld.

 

Koele liefde tussen mama en papa

 

Ik heb als kind de indruk dat papa en mama alsmaar verder uit elkaar lijken te groeien. Ik kan me niet herinneren dat ik ze ooit lieve woordjes tegen elkaar heb horen fluisteren. Nooit heb ik ze elkaar een zoen zien geven of hand in hand lopen zoals ik met Dianneke vaak doe. Mama overlaadt ons nog altijd met knuffels, kusjes en troetelwoordjes, maar van papa zijn de vluchtige kus voor het slapengaan en een al even vluchtig kruistekentje op ons voorhoofd de enige tekenen van affectie. Hij duldt wel dat we bij hem in zijn werkhuis, stallen en veld rondhangen en staan toe te kijken als hij een kip of konijn slacht. We plukken ook vaak samen met hem fruit in onze boomgaard of trekken samen het onkruid van tussen de gewassen op zijn veld. En zo nu en dan verrast hij ons met een stukje speelgoed dat hij zelf uit rommel in elkaar geflanst heeft: iets wat op een vliegtuig of auto moet lijken, een takje dat hij met zijn zakmes bewerkt heeft tot iets wat een soldaatje moet voorstellen, en zelfs eens een tot auto omgebouwde oude kinderwagen, waar we zowel op de koer als op straat kunnen mee rondtoeren. Ik mag dus zeker niet zeggen dat hij ons absoluut geen aandacht schenkt. Maar tegen mama is hij altijd kort en bot en ze lijkt nooit iets goed te kunnen doen in zijn ogen. Hij heeft er een grondige hekel aan dat ze zich altijd piekfijn opkleedt, schminkt en haar haar naar de laatste mode draagt. Zo hoor ik hem soms verwijten dat ze "een noar omuug gevalle schijtwijf" is.

Zelf draagt hij meestal afgedragen kleren, altijd door mama netjes gewassen en gestreken, maar tot op de draad versleten. Als mama er op aandringt dat hij nu eindelijk eens in de naburige stad Zottegem een nieuwe broek en hemd moet kopen voor zichzelf (geld is zeker geen probleem) antwoordt hij bot: "Veur te werke zijn de kliere da'k droage godverdomme nog goe genoeg! 'k Ben nie gelijk gij die 't geld deur de veisters smijt om alle doage de chique madam uit te hange!"

Kortom: mama en papa leven elk in een totaal verschillende wereld. Twee werelden die alsmaar verder van elkaar wegdrijven.

Mijn broertje en ik ondervinden daar maar weinig of geen last van. We kennen ook geen ander leven en zijn al blij dat mama en papa maar heel zelden echt onderling ruzie maken. Ik heb mijn papa ook nooit mama zien slaan... tot op die verschrikkelijke februarinacht in het jaar 1962, waar ik verder in mijn verhaal nog op terugkom...

Kerk Sint-Paulus' Bekering, Godveerdegem - Retabel

 

Retabel uit 1701-1800, voorstellende de pestheiligen (van boven naar beneden, v.l.n.r.): Rochus van Montpellier, Sebastianus, Adrianus van Nikomedië, Antonius Abt, O.L.Vrouw met Kind, Christophorus met Kind. Deze heiligen herinneren aan de pestepidemie van 1662, die in onze gewesten naar schatting een derde van de bevolking uitroeide.

Gelovigen uit het omliggende kwamen

eeuwenlang naar Godveerdegem op bedevaart om op oorspraak van deze heiligen gespaard te blijven van de pest. Tot diep in de twintigste eeuw werden in de octaaf van de H.Rochus, einde augustus, dagelijks 'pestmissen' opgedragen.

Bedevaartvaantje (1958). In het midden de kerk van Godveerdegem. In de linker bovenhoek staat de aanroeping: "Onze Lieve Vrouw en de Pestheiligen, Bidt voor ons." In de scherpe hoek staat: "Begankenis sinds 1662" en onderaan leest men:"Gedenkenis van de Bedevaart naar Godveerdegem".

Leven en werk van Antoine Bomon - 1958 - 04