1960-werk-en-leven-01

 

Leven en werk van Antoine Bomon - 1960 - 01

Einde van een zorgeloze kindertijd

 

Op 6 december 1959 gaat Sinterklaas voor het eerst aan ons huis voorbij, want Sinterklaas is volgens de getuigen van Jehova ook een "valse heilige" en geschenkjes aan de kinderen geven op die dag mag dus niet. En in tegenstelling tot de voorgaande jaren wordt een paar weken later ook Kerst en de overgang van oud naar nieuw niet gevierd. Geen grote kerstboom meer in onze café, die versiert is met glanzende ballen en papieren lampionnetjes; een in onze kinderogen magische boom, waaronder mama, papa, de buren en de vaste bezoekers van ons café in de voorgaande jaren snoep en geschenkjes voor mijn broertje en mij neerlegden. Geen gezellig kerststalletje meer op de kast, waar kleine, ingekleurde plaasteren figuurtjes rond het "kribbeke" de pasgeboren Jezus welkom heten. De grote prent aan een muur in ons café, waar een groot oog in een driehoek elke cafébezoeker waarschuwde: "Hier vloekt men niet! God ziet U!" is intussen vervangen door een kitscherig schilderij van een windmolen bij een idyllisch beekje. En ook de met de hand ingekleurde plaasteren heiligenbeelden onder de glazen stolpen op de schouwsteenmantels zijn vervangen door kitcherige beeldjes van oude koppeltjes en dieren. Wij kunnen geen morele steun meer zoeken bij de grote houten kruisen met koperen Christusfiguur, die vroeger de schouwmuren in het café en in de huiskamer domineerden. Er is in huis niets meer dat aan ons vroegere geloof herinnert, want de getuigen van Jehova verbieden de aanbidding en het in bezit hebben van elk soort "afgodsbeeld" of afbeelding van Christus aan een kruis. Zelfs het zilveren kruisje en het mooie zilveren kettinkje dat ik voor mijn Eerste Communie van mijn meter kreeg mag ik niet meer dragen.

 

Op 31 december '59 sluit mama zelfs al in de namiddag het café, om zich samen met papa in de keuken over de bijbel, tijdschriften en religieuze boeken van de getuigen te buigen. Geen uitzinnige vreugdedans meer rond een brandende berg stro in de weide van Boer Vijze... Die 'warmste' winterdag van elk jaar, waarop alle ellende van het voorbije jaar samen met de berg stro verbrand werd, en nieuwe hoop en een massa goede voornemens uit de rookpluimen en gloeiende sintels opkringelden, is ineens veranderd in een kille, duistere ijsberg, waarachter armadeddon als een enorm monster ligt te loeren, klaar om elk ogenblik toe te slaan en alles wat deze mooie aarde ons dagelijks schenkt, te verwoesten.

 

Vanachter het raam van mijn slaapkamertje, dat langs de randen met ijsbloemen bedekt is, zie ik die avond hoe de buren en mijn vriendinnetje Dianne in het volkscafé aan de overkant van de straat uitbundig de jaarovergang vieren. Geluiden van vreugdekreten, gelach en muziek dringen mijn kamertje binnen. Het lijkt zelfs alsof de geuren van bier, sigaren en pijptabak over de straat heen door het koude glas van mijn vensterraam mijn neusgaten binnendringen. Ik meen zelfs de geur te ruiken van de Sunlightzeep waarmee Dianneke elke dag haar mooi ovaal gezichtje, fijne handjes en lichaam reinigt. Maar al die geluiden, geuren en indrukken zorgen nu slechts voor een vreemd soort inwendige pijn.

 

Ik koester al een paar jaar ‘gevoelens’ voor Dianneke die op een kinderlijke verliefdheid wijzen, maar dat is verboden. Kinderen mogen van de getuigen van Jehova alléén van God, Jezus en van hun ouders en familieleden houden. Ze mogen zeker niet verliefd worden op een jongen of meisje dat geen getuige van Jehova is.

Met fysieke pijn zijn mijn broertje en ik al vaak geconfronteerd geweest in onze prille kinderjaren: de oorvijgen van de nonnen, de harde slagen op onze vingerkootjes van de verdorven dorpspastoor met zijn stalen regel, de afranselingen van onze papa, een stomp in de maagstreek van een "vijand" tijdens onze oorlogsspelletjes, pijn opgelopen bij schaafwonden tijdens onze avontuurlijke (en soms gevaarlijke) kinderspelletjes en valpartijen uit de bomen… Maar nu ervaar ik voor het eerst ook een soort abstracte pijn, die tussen mijn oorschelpjes blijft hangen en voor een aanhoudend akelig gevoel in de borststreek zorgt.

 

Het hele jaar 1960 worden we verder gebrainwasht en meegesleurd in een religie die totaal buiten de reële wereld staat. Hoewel het door papa en de getuigen niet goedgekeurd wordt, spelen we na schooltijd nog regelmatig met ons vriendje Joël en zijn zusjes in de omliggende velden en weiden. Ik probeer opgewekt te blijven glimlachen, maar achter die glimlach is de kindervreugde sterk aan het afkalveren. Als Dianneke nu nog eens naar mijn handje grijpt om samen over een gracht te springen, voelt die heerlijke 'samensmelting' van onze handpalmen als een ‘zonde’ aan. En aan de speelse kusjes die we voordien elkaar soms op de wang gaven, hangt nu een soort magneetje dat afstoot inplaats van aantrekt. Ik laat die kinderlijke blijken van genegenheid voor een ander wezentje dus stilaan achterwege en draai mijn hoofd in de andere richting als Dianneke mij een zoentje op de wang wil geven, of kruis mijn handen achter mijn rug als ze mijn handje wil grijpen. Ik zie in haar oogjes en aan haar mondhoeken dat die groeiende afstandelijkheid tussen ons ook haar vreugde tempert. Het geeft me een bijzonder naar gevoel als ik die trieste schaduwen over haar gezichtje zie trekken, maar ik kan er niet over praten.

 

Ik mag er nu ook niet meer van dromen om later met haar te trouwen, zoals we elkaar al eerder in onze kinderlijke adoratie voor elkaar plechtig beloofden, want zij en haar familie zijn geen getuigen van Jehova en zullen dus heel binnenkort door armageddon vernietigd worden. Kortom: ons hele innerlijke wereldje dat vroeger zoveel zaligmakende beloften inhield, wordt onder een vernietigende modderstroom van verbodsregels en irriële, angstaanjagende vooruitzichten bedolven. De getuigen van Jehovah beloven ons met een vriendelijke, naïeve overtuigingskracht "Het Licht" en een "Nieuwe Wereld", maar in ons kinderbrein brouwen ze slechts de gloed van een flikkerend kaarslicht en het beeld van een volledige menselijke beschaving die in hete stormen van vuur en helse kreten van angst en pijn zal ten ondergaan. Als ik aan de toekomst denk zie ik alleen de verkoolde lichamen van Joël, van Dianneke en haar zusje Annie, en zelfs deze van mijn broertje en mij, vaag doorschemerend in een idyllisch beeld van kleurrijke bloemen, prachtige besneeuwde bergtoppen en van een tamme leeuw die het kopje van een lammetje likt. Mijn broertje en ik zijn kleine, radeloze nomaden geworden die dagelijks door een woestijn van fata morgana's en schrikbeelden trekken, zonder hoop nog ooit ergens rust te vinden. Ouders die zich door de sprookjes van de getuigen van Jehova laten meeslepen beseffen niet wat een onheil zij daarmee over de hoofden van hun kinderen storten.

Al sinds hun ontstaan (einde 19de eeuw) schrikken de getuigen van Jehova iedereen af met het armageddon (het absolute einde van de menselijke beschaving en het begin van een 'Nieuwe Wereld', waar enkel en alleen de door God geredde getuigen van Jehova zullen verder leven). Ze hebben dikwijls een exact jaartal voorspeld waarop armageddon zou losbarsten, maar toen er in die jaren niets gebeurde, pasten ze telkens het tijdschema aan (doordat ze door hun misrekeningen echter veel volgelingen verloren, geven ze sinds 1975 uit voorzichtigheid geen datum voor het einde der tijden meer aan).

Toen mijn ouders zich op het einde van de jaren vijftig bij hun gemeenschap aansloten, stond armageddon "vlak voor de deur en kon het elk moment losbarsten". Intussen ging er meer dan een halve eeuw voorbij zonder een armageddon, maar de Jehova's getuigen blijven er goedgelovigen de stuipen mee op het lijf jagen.

Geen wapens of agressief gedrag, maar toch gevaarlijk

 

De getuigen van Jehova vormen voor onze maatschappij beslist de minst bedreigende fundamentalistische geloofsgemeenschap als het op het plegen van geweld of terreurdaden aankomt. De volgelingen van de leer van Jehova weigeren wapens te dragen of fysiek geweld te gebruiken. Als je hen bij wijze van spreken een slag in het aangezicht geeft zullen ze rustig glimlachend hun andere wang aanbieden in plaats van agressief te reageren. Ze zullen nooit een gewapende ‘heilige’ oorlog ontketenen of mensen fysiek mishandelen. Maar op mentaal vlak behoren ze tot de gevaarlijkste soort religieuzen. Ze maken zich doorlopend schuldig aan emotionele chantage en structureel geestelijk misbruik. Ze isoleren en manipuleren hun volgelingen zodanig dat een normaal sociaal en maatschappelijk leven onmogelijk wordt. Ze boezemen kinderen die nog niet in staat zijn een degelijk onderscheid te maken tussen werkelijkheid en symbolische voorstellingen grote angst in door hun absurde eindetijd visie. Ze beschouwen hun leer als de énige 'ware' religie en beschouwen alle andere geloofsgemeenschappen als duivels. Doordat zij het ten zeerste afraden om met niet-getuigen om te gaan (tenzij om ze te proberen bekeren) rukken ze doorlopend gezinnen en families uit elkaar, verbreken ze vriendschappen en vervreemden ze elke volgeling van de werkelijkheid en hun omgeving. Ze leven in een zeer gesloten en bekrompen wereldje. Zo mogen ze niet deelnemen aan “wereldse” sport- en ontspanningsactiviteiten. Ze mogen geen lid worden van een politieke partij of praatgroep en mogen geen enkele traditionele of religieuze feestdag vieren. Ze mogen geen beroep uitoefenen dat in strijd is met hun leer (bijvoorbeeld een café, casino, rookwarenzaak of sportzaal uitbaten) of persoonlijke roem nastreven. Een ‘misstap’ begaan (bijvoorbeeld seksuele betrekkingen hebben vóór het huwelijk, met iemand van hetzelfde geslacht of met een niet-getuige naar bed gaan) leidt tot volledige uitsluiting. Dat geldt ook voor roken, overmatig drinken, gokken, diefstal, deelnemen aan een loterij of aan een “werelds” evenement, het niet strikt naleven van de regels van de ‘Heilige Schrift’ en deze die opgelegd worden door hun 'Besturend Lichaam', het in twijfel trekken van een bepaald facet uit de bijbel of zelfs het stellen van een lastige vraag. Dan worden de ex-gecommuniceerde getuigen door de andere getuigen volkomen genegeerd. En zo belanden die vroegere Jehova’s getuigen dus in een soort ‘niemandsland’, want de banden met hun vroegere vrienden en familie hebben zij intussen onder druk van het ‘Besturend Lichaam’ van de gemeenschap al lang verbroken. Door het pertinent weigeren van bloedtransfusies brengen ze dikwijls het leven van zichzelf en van hun kinderen in gevaar. Ze mogen zelf ook geen bloed geven en hun organen mogen na hun dood ook niet gebruikt worden om andere levens te redden, zelfs niet voor wetenschappelijk onderzoek.