1961-leven-en-werk-01

Joeri Gagarin, de eerste mens in de ruimte

 

IIntussen verandert het wereldbeeld zeer snel. Kolonies in Afrika en Azië scheuren zich massaal af van hun Europese moederland, wat vaak met enorm veel bloedvergieten en menselijk leed gepaard gaat. Schoolatlassen moeten nu jaarlijks aangepast en herdrukt worden. Het eeuwig op macht geschoeide militaristische en politieke gruweltheater zorgt voor een onophoudelijke onrust en al vlak na de Tweede Wereldoorlog voor een bittere Koude Oorlog tussen de toenmalige USSR (een unie van 15 communistische staten) en de Verenigde Staten van Amerika. Militaire en politieke kopstukken hebben blijkbaar niets geleerd uit de verschrikkingen van de twee grote wereldoorlogen en ontwikkelen een nucleair wapenarsenaal waarmee men zelfs al in het begin van de jaren zestig een heel continent kan verwoesten en het voor duizenden jaren onbewoonbaar kan maken.

Wetenschap en techniek maken enorme sprongen voorwaarts, vooral op het vlak van de ruimtevaart. Dit dankzij Wernher von Braun, een voormalige Duitse SS-officier die omwille van zijn genialiteit en kennis in de ruimtevaarttechnologie na de oorlog naar Amerika werd gehaald, maar vooral dankzij de wellicht nog iets grotere genialiteit van de Russische raketgeleerde Sergei Korolev. De Amerikanen, die de eerste atoombom ontwikkeld hebben, waanden zich in de jaren vijftig op alle vlakken superieur, maar het was toch de Rus Korolev die er als eerste in slaagde om in 1957 niet alleen de eerste door mensen gemaakte kunstmaan in een baan om de aarde te brengen, maar ook het eerste zoogdier. De Amerikanen, flink in hun trots gekrenkt, slaagden er pas vier maanden later (1 februari 1958) in om een (veel kleinere) satelliet in een baan om de aarde te brengen (de Explorer 1). Maar op 12 april 1961 krijgen ze opnieuw een zware nederlaag te verwerken. Met de Vostok 1 brengen de Russen de eerste mens in de ruimte. Luchtmachtpiloot Joeri Gagarin, voor dit project uitgekozen omwille van zijn uitstekende fysieke en psychische testresultaten en zijn geringere lichaamslengte (1,57 meter) - dit in verband met de beperkte ruimte in de capsule – wordt de eerste mens die een baantje om de aarde draait. De vlucht duurt 108 minuten van lancering tot landing. Zoals gepland landt Gagarin apart van zijn capsule aan een parachute, na op 7 km hoogte zijn capsule verlaten te hebben. De Amerikanen slagen er pas exact een jaar later in om een astronaut (John Glenn) in een baan om de aarde te brengen. En ze blijven nog geruime tijd achterlopen op de Russen, die nadien nog voor talrijke ruimteprimeurs zorgen.

Joeri Gagarin, op 12 april 1961 de allereerste mens in de ruimte.

De vervreemding stijgt ten top

 

Ook in het daaropvolgende jaar blijven mijn ouders, broertje en ik onder invloed van de Jehova's getuigen meer en meer afstand nemen van onze familie, vrienden, dorpsgenoten en van onze vertrouwde bezigheden en gewoontes. Papa sluit zelfs zijn fietsenwinkel om zich nog meer op zijn bijbelstudie en het “van deure tot deure prediken” te kunnen storten. De winkelruimte wordt nu weer als woonkamer ingericht, met een Leuvense stoof die voor voldoende warmte moet zorgen en een grote tafel die nu altijd vol ligt met tijdschriften en boeken van de getuigen van Jehova.

 

Twee avonden in de week wordt nu ook ons café gesloten. Dan zitten we met het hele gezin en met een paar Zottegemse getuigen rond de grote tafel om de bijbel te bestuderen en passages voor te lezen uit de tijdschriften ‘Ontwaakt!’ en ‘De Wachttoren’. Die boekjes moeten we ook elke zondagvoormiddag en tijdens vakantiedagen samen met papa en de andere getuigen van deur tot deur proberen te verkopen. Helemaal in het begin vonden mijn broertje en ik dat nog een beetje plezant. We trokken naar andere dorpen in de streek en zagen zo ook eens andere kinderen. Maar wanneer onze klasgenootjes ons op school beginnen uit te schelden voor “schooiers”, “ketters” en “stomme boekskesverkupers” is het plezier er rap af. Ook het feit dat negen op de tien keer de deur waar wij aanbellen voor onze neus dichtgesmeten wordt , en wij ook moeten doorgaan met "verkondigen" als het flink begint te regenen, sneeuwen of stormen (waar we niet altijd voldoende op gekleed zijn), zorgt er al vlug voor dat wij dit verplichte “verkondigen van Gods Woord” als een ‘marteling’ beginnen te beschouwen. Evenals de wekelijkse bijeenkomsten in de Zottegemse 'Koninkrijkzaal van de Jehova’s Getuigen', die elke zondagnamiddag plaatsvinden. We moeten er naar de voordrachten en bijbelbesprekingen luisteren en naar de alsmaar weerkerende waarschuwing dat armageddon nu echt wel dicht voor de deur staat, want de mens probeert nu ook al de aarde te ontvluchten (doelend op de Russen, die op 12 april 1961 de eerste mens in de ruimte brengen) en "God zal het nooit toelaten dat de mensen Zijn Hemelen schenden en Hij zal nu dus wel héél vlug ingrijpen"). Voor de rest zitten we elke bijeenkomst stijf en bewegingsloos op onze stoel. We staan slechts recht om te bidden en de religieuze liedjes mee te zingen (“Aan het werk, aan het werk, o gij dienaars van God…”), die door een muzikale getuige op een mandoline begeleid worden.

 

Het énige dat ik in die overigens saai ingerichte “koninkrijkzaal” boeiend vind is de grote muurschildering, die door een artistiek aangelegde “broeder” (Jehova’s getuigen noemen elkaar “broeder” en “zuster”) geschilderd is: een impressie van hun “Nieuwe Wereld”, met een prachtige waterval, mooie exotische bloemen en wilde en tamme dieren die vredig naast en door elkaar lopen. Uren heb ik er zitten naar kijken, heb ik elk detail zodanig in me opgenomen dat ik ze nu, bijna een halve eeuw later, nog gemakkelijk uit mijn hoofd zou kunnen naschilderen. Ook de twee- en driekleurige illustraties uit hun tijdschriften boeien mij, en in plaats van buiten te spelen met Joël en zijn zusjes (wat toch eigenlijk niet meer mag) zit ik ze in de keuken achter het café uren na elkaar na te tekenen.

 

Het café floreert trouwens ook niet meer zo goed als in de voorgaande jaren. Verscheidene katholieke dorpsbewoners willen geen voet meer binnenzetten in “dienen kroeg woar dat er gien kruisbeeld hangt.” Mama steekt ook zelf geen muntjes meer in de jukebox om het plezier aan te wakkeren en als papa zich nog eens in het café vertoont is het om over de leer van de Jehova’s getuigen te praten. En daar willen de dorpelingen liever niets over horen. De nieuwe pastoor, veel rechtschapener en vriendelijker dan zijn brute en zondige voorganger, heeft zijn kudde intussen weer bij elkaar gedreven en alle kerkstoelen zijn de zondagochtend alweer volzet.

Ons gezin, de énige getuigen van Jehova in het dorp, wordt dus meer en meer als een "ketterse familde" beschouwd die je toch best zoveel mogelijk mijdt als je later niet in de hel wilt belanden.

 

De "ouderlingen" van de gemeenschap van de getuigen proberen mama steeds opdringeriger te overtuigen om ook het café te sluiten, want een café is een “werelds huis dat mensen tot vloeken en drinken aanspoort”. Maar mama, niet zo fanatiek gelovig als papa, blijft het café openhouden. En terwijl papa overdag gaan werken is durft ze soms nog wat muntjes in de jukebox te steken en zingt ze nog eens mee met de hits van Bobbejaan Schoepen en van andere Vlaamse vedetten uit die dagen. Dat is "werelds" en mag dus eigenlijk niet van de getuigen van Jehova. Maar mama doet nog veel meer wat niet mag van de getuigen. Daar komen papa, mijn broertje en ik op een zeer pijnlijke manier achter op een koude februarinacht van het daaropvolgende jaar...

 

Het klasje van mijn broertje (hij zit achteraan onder het witte pijltje), gemaakt in het begin van het schooljaar.

 

Laatste portretfoto van mij, gemaakt in het Koninklijk Atheneum te Zottegem. Mijn broertje en ik kunnen op die momenten nog niet vermoeden dat wij dat schooljaar niet in deze school zullen beëindigen en wij voorgoed afscheid zullen moeten nemen van Joël, mijn lieve Dianneke, haar zusje Annie en van alle andere kinderen waar we samen mee opgroeiden.

Joël Lapage, een jaar en half ouder dan ik, drie jaar en half ouder dan mijn broertje. Maar al sinds we in de Kerkstraat zijn komen wonen onze gezamenlijke beste vriend en broer van het eerste meisje waar ik meer dan vriendschappelijke gevoelens voor koester. Kinderlijk maar heel oprecht. Van haar bezit ik echter geen enkele foto.

Leven en werk van Antoine Bomon - 1961 - 01