1962-leven-en-werk-01

 

Jarenlange ontrouw van mama komt aan het licht

 

Mijn broertje en ik hebben het intussen al ruim twee jaar heel moeilijk door de overstap naar de getuigen van Jehova, maar het gezinsdrama dat zich op de koude winternacht van 11 februari 1962 voltrekt, verwoest in één klap ons laatste restje kindergeluk. Mama wordt door papa in de woonkamer naast het café betrapt met Willy Van Wittenberghe, haar zeven jaar jongere minnaar. Willy is al jarenlang vaste stamgast in ons café. Hij zit er elke avond na zijn werk. Mijn broertje en ik kennen hem intussen zo goed dat we hem al een tijdje “nonkel Willy” noemen. Hij is een stille, jonge blonde god. Een eenzaat, die door zijn familie om de een of andere reden niet aanvaard wordt. Ook in het café zit hij meestal alleen op een barkruk voor zich uit te staren. Hij is vriendelijk, heeft een zachtmoedig karakter, maar zegt nooit veel. Regelmatig koopt hij in ons café een stuk chocolade of een ijsje voor mijn broertje en mij. Dat is eigenlijk niet nodig, want als we mama om een reep chocolade of een ijsje vragen, krijgen we het meteen. Maar misschien wil “nonkel Willy” ons daarmee zijn vriendschap betuigen. Hij overhandigt ons de snoepjes met een vriendelijke glimlach, maar zegt daarbij nooit iets.

 

Dat nonkel Willy al enkele jaren “iets heeft” met mama weet ik met zekerheid. Zo was ik, ongeveer een jaar vóór mijn ouders de overstap naar de getuigen van Jehova maakten, op een nacht getuige van een ‘vreemd’ gebeuren. Wanneer er weinig werk was in de bouw en papa economisch werkloos was, trok hij met verscheidene dagloners van Godveerdegem voor een paar weken naar Picardië, een regio in Noord-Frankrijk, waar ze als gastarbeiders meehielpen bij de bietenoogst (daaraan ontlenen de inwoners van Godveerdegem trouwens hun bijnaam “picarren”). Mama runde tijdens de periodes dat papa in Picardië was zowel het café als de fietsenwinkel en mijn broertje en ik voerden de kippen en konijnen en hielden de stallen min of meer proper.

Tijdens één van die nachten werd ik, zoals wel vaker gebeurde, wakker (ik ben al van kindsbeen af een slechte slaper). Ik hoorde in de kamer van mijn ouders een man hoesten.

Was papa terug uit Frankrijk?

Waarom was hij ons dan geen kusje en kruisje op het voorhoofd komen geven?...

Opnieuw een hoestgeluid. Het was papa niet. Papa hoestte niet op die manier.

Ik sprong uit bed, liep in pyjama naar de overloop. Ik hoorde mama in haar kamer speels lachen en heel stilletjes praten. Daartussen een mannenstem. De stem van… nonkel Willy?...

“Mama?...”

Plots stilte in de kamer van mama. Afgebroken gelach.

Toen de sleutel in het slot, de deur open, mama met verwarde haren in haar slaapkleed. Nog een beetje glimmend van het liefdeszweet.

“Wa es er, manneke? Kunde weer nie sloape?”

Ze bukte zich, nam me in haar armen. Ze rook lekker. Haar huid voelde eerst nog warm en daarna ijskoud aan.

“Es nonkel Willy bij u?”

Ze schrok.

Toen, aarzelend: “Joa… Nonkel Willy… IJ heeft zijne sleutel verlore… IJ kon bij em thuis nie binne… Doarom blijft ij vannacht ier sloape…”

Ik was nog maar zeven jaar en een boterspek. Ontrouw was een begrip waar ik nog nooit mee geconfronteerd was. Maar toch voelde ik op een eigenaardige manier dat er hier iets aan de hand was dat door volwassenen “vies” genoemd werd. Maar mama was mijn mama. Wat zij deed kon gewoon niet “vies” zijn.

Ze nam me met beide handen bij de armpjes, keek me aan, werd weer iets warmer.

Ik zie die blik uit haar grote donkere ogen nu weer voor mij, zie erin wat ik er toen niet in zag. Angst. Schuldgevoel. En tegelijk liefde in de puurste vorm.

“Goader alsteblief niets va zegge tege papa als ij terug es, manneke?... IJ… ij zou mij vermuurde…”

Ik zei niets, keek haar alleen maar aan. Toen sloeg ik mijn armpjes om haar heen.

“’k Zal niets zegge, mamake-lief. ‘k Zie u gere!”

“Danke, manneke. ‘k Weet da ge mij gere ziet. En ik zie u uuk gere… Probeer nu nog wa te sloape. Kom, ‘k zal meegoan noar u koamerke”.

Ze zat nog op mijn bed over mijn hoofdje te strelen toen ik een tijdje later in slaap viel. Ik zou er nu veel voor over hebben om te weten wat er toen moet door haar hoofd gegaan zijn, aan welke spanningen, onzekerheden, schuld- en berouwgevoelens ze toen onderworpen was. Misschien zag ze op dat moment, toen ze aan mijn bedje zat, haar hele wereld instorten wanneer ze vreesde dat ik toch mijn mondje voorbij zou praten.

 

Ik heb er nooit iets over gezegd tegen papa, ook later niet, toen ze al gescheiden waren. Zelfs aan mijn broertje heb ik nooit verteld dat nonkel Willy die nacht bij mama is blijven slapen. Het was iets tussen mama, nonkel Willy en mij.

Pas nu, meer dan een halve eeuw later, vertrouw ik mijn geheimpje toe aan het papier. Omdat ik wil dat mijn kinderen hun grootouders zien zoals ze waren. Ik zit er niet mee dat ook anderen dit nu zullen lezen. Geen mens is volmaakt, geen mens is zonder fouten. Ik kan er mijn moeder en vader niet meer mee kwetsen; ze zijn er niet meer.

 

Gezinsdrama: bloed op het behang

 

We keren terug naar 11 februari 1962. Jarenlang hebben mama en nonkel Willy voor iedereen hun liefde geheim kunnen houden. Maar die nacht wagen ze zich te ver. Zoals elke avond is papa zo rond een uur of tien naar boven gegaan. Een paar uur later moet hij wakker geworden zijn. Omdat hij het wellicht vreemd vond dat mama nog niet naast hem in bed lag, sloop hij naar beneden. Het café is dicht; enkel in de woonkamer naast het café brandt licht. Wanneer hij de deur opent treft hij mama en nonkel Willy aan... Papa verliest volledig de controle over zichzelf.

 

Ik schrik wakker van een hels geschreeuw, getier, gevloek en het geluid van brekend glas en omver vallende stoelen. Mijn broertje is ook wakker geschrokken en samen stormen we huilend de trappen af. Is armageddon dan eindelijk begonnen?

Beneden zien we beelden die nadien nog tientallen jaren op ons netvlies zijn blijven hangen. Ik zie nog net hoe papa in een vlaag van razernij ons mama met haar hoofd tegen de muur beukt. Bloed spat op het behang en mama zijgt bewusteloos neer. Nonkel Willy, zijn broek nog niet helemaal dicht gegespt, werpt zich als een razende stier op mijn vader. De twee rollen over de vloer, woest op elkaar inbeukend. Mijn broertje en ik staan aan de grond genageld, huilen om ter luidst. Stoelen liggen verspreid over de vloer, de canapé staat een eindje van de muur, de glazen deurtjes van de vitrinekast liggen in scherven overal op de grond verspreid.

 

Pas wanneer de twee woeste mannen mijn broertje en mij opmerken, houden ze op met vechten. Ze staan recht en staan hijgend tegenover elkaar, klaar om elkaar opnieuw aan te vallen. Mijn broertje en ik lopen huilend naar mama, werpen ons op haar in een poging haar te beschermen. Haar haar, gezicht en kleren zitten onder het bloed. Ze beweegt niet. Is ze dood? Haar bloed zit nu ook op onze handjes, op onze pyjama. Langzaam komt ze bij. Ze opent de ogen en kreunt, probeert meteen haar armen rond ons te slaan. Papa is intussen gelukkig weer tot zichzelf gekomen. Heel kalm, met gebogen en bebloed hoofd stapt hij naar de Leuvense stoof, trekt een stoel onder zich en laat zijn hoofd op zijn armen zakken, die op de reling van de kachel rusten. Willy staat een paar meter van papa, hijgend en eveneens bebloed. Hij houdt papa onafgebroken in de gaten, maar beweegt zich niet.

Zonder op te kijken zegt papa tegen mama en Willy dat ze onmiddellijk zijn huis moeten verlaten. Met gebroken stem voegt hij er aan toe: "En pakt die twie kleine gaste uuk moar mee! Nu da’k wete da ge een oere zijd twijfel ek eroan of ze wel van mij zijn! Jehova zal ulder allemoal straffe!".

Ons huis in de Kerkstraat, waar we een groot deel van onze kinderjaren doorbrachten en waar het drama zich afspeelt. Deze foto dateert van een halve eeuw later, maar er is nog vrijwel niets aan de gevel veranderd (op nieuwe ramen en deuren na; zelfs de gaatjes, waar vroeger wat uithangborden van biermerken hingen, zijn thans nog zichtbaar). Uiterst rechts was het werkhuis van papa. Daarnaast ons cafe en rechts de fietsenwinkel (ingang via ons café). Onder het dak de vier slaapkamers. De straat was toen nog een kasseiweg.

Vlucht uit ons dorp

 

Mijn broertje en ik kleden ons vliegensvlug aan, bevend van schrik en totaal verward door wat wij zopas allemaal voor onze ogen hebben zien gebeuren. Mama wast vlug het bloed van haar aangezicht en belt bij een buurvrouw een taxi (we hebben zelf geen telefoon). Er wordt niets ingepakt, niets meegenomen. De taxi brengt mama, nonkel Willy, mijn broertje en mij door de ijzige nacht naar Merelbeke, waar “marraineke” (mama’s jongste zus en mijn meter) met haar echtgenoot nonkel René en dochtertje Marie-Christine wonen. Marraineke schrikt zich rot als we midden in de nacht aanbellen. Mama doet wenend haar verhaal. Mijn moeder, mijn broertje en ik worden binnengelaten, maar nonkel Willy niet. Hij rijdt met de taxi door naar Gent, waar hij als een verwonde clochard op een bank in het Sint-Pietersstation de rest van de nacht doorbrengt, om rond 6 uur de trein naar Brussel te nemen, waar hij werkt. Terugkeren naar ons dorp is voor hem geen optie, want morgen zal iedereen in het dorp al weten wat er precies gebeurd is achter onze gevel. En dat "den stille witte" zoals nonkel Willy in het dorp genoemd wordt (vrijwel elke dorpsbewoner heeft een bijnaam) al jaren een geheime relatie had met een getrouwde vrouw ("'t schuunwijf van den Welkom") zal hem nooit meer vergeven worden. De dorpelingen zijn zelf niet allemaal brave engeltjes, maar een gezin uit elkaar rukken beschouwen ze als één van de zwaarste zonden die een mens kan begaan.

 

Nonkel Willy belooft mama dat hij elke dag na zijn werk aan het Sint-Pietersstation op ons zal wachten. De twee tortelduiven zijn nu vastbesloten om hun verdere leven met elkaar te delen.

Mijn broertje en ik begrijpen nog altijd niets van de hele situatie. Waarom is papa ineens zo razend geworden? We zijn als kind nog nooit met een dergelijke situatie geconfronteerd geweest. En papa leek de laatste jaren juist zo zachtmoedig. Sinds hij zich bij de getuigen van Jehova aangesloten heeft, hebben we zelfs geen oorvijg meer gekregen, laat staan een rammeling met zijn lederen broekriem (kinderen mogen door de getuigen van Jehova niet lijfelijk gestraft worden). Waarom is hij nu ineens met mama en nonkel Willy tot bloedens toe beginnen vechten? Wat heeft hem bijna tot een moordmachine gemaakt?

Het lijkt allemaal een verschrikkelijke nachtmerrie, waaruit ik spoedig hoop te ontwaken. Maar de nachtmerrie blijkt reëel te zijn en ik zal mijn geliefde Dianneke nooit meer terugzien. Jehova heeft mijn broertje en mij gestraft voor een daad waaraan we geen schuld hebben. Of wel?... Had ik papa enkele jaren geleden dan toch moeten vertellen dat nonkel Willy eens bij mama is blijven slapen toen hij in Picardië werkte?... Maar zou het drama zich dan al niet veel vroeger voltrokken hebben?... Ik bid urenlang tot Jezus om antwoorden te krijgen en de twijfels weg te jagen. Maar Jezus blijft in alle talen zwijgen.

Leven en werk van Antoine Bomon - 1962 - 01