1962-leven-en-werk-02

 

Leven en werk van Antoine Bomon - 1962 - 02

Zwerftocht door een ijskoude hel

 

Mama, mijn broertje en ik blijven nog enkele dagen bij mijn meter, zodat we enigszins kunnen bekomen van het drama.

De eerstvolgende zondagochtend (18 februari, een koude, zwaarbewolkte dag met matige windstoten) vertrekken we al heel vroeg met een lijnbus naar Gent, waar nonkel Willy, zoals hij beloofd heeft, op mama staat te wachten. Zijn gezicht vertoont nog de sporen van het verschrikkelijke gevecht.

 

De hele dag zwerven we verkleumd van de kou door de Gentse straten, op zoek naar een gemeubeld appartement. Mama heeft geen geld bij zich, maar nonkel Willy heeft intussen wat spaargeld van zijn bankrekening gehaald. Er is echter geen enkele winkel open. We stillen 's middags onze honger met een pakje frieten aan een frietkraam. De koude wind dringt door onze kleren. In de haast hebben we niets meegenomen toen we ons dorp uitvluchtten.

 

Mijn broertje en ik hebben voordien nog nooit in een grote stad rondgelopen. Ik verwonder me over het drukke, jachtige leven, over de ontelbare auto's die ons voorbij rijden en overal geparkeerd staan. Het eerste wat mijn aandacht trekt zijn de trams en de tramsporen. In Zottegem rijden geen trams; dit soort vervoermiddel hebben we dus nog nooit gezien en het lijkt voor mij alsof er hier in Gent kleine gele 'treinen' door de straten rijden. Op de buiten groeten alle mensen elkaar op de straat, of ze elkaar kennen of niet. Hier in Gent worden we ofwel volkomen genegeerd door de voorbijgangers, ofwel argwanend begaapt. We bellen aan bij bewoners van huizen waar een bordje 'gemeubeld appartement te huur' voor het raam hangt. Maar van zodra de eigenaars horen dat mama en Willy niet getrouwd zijn met elkaar, wordt de deur voor onze neus dichtgesmeten.

 

De eerste nacht overnachten we in een groezelig hotelletje achter het station, waar het stinkt naar zweet, bier en urine.

's Anderendaags vervolgen we al heel vroeg onze zoektocht naar een gemeubeld appartement. Ik loop met het akelige gevoel rond dat mijn broertje en ik door mama en nonkel Willy ontvoerd zijn naar een vreemde, ongastvrije planeet.

 

Mama knoopt een gesprek aan met een oud, heel beminnelijk vrouwtje, dat bij de ingang van het Sint-Pietersstation een bloemenwinkeltje uitbaat. Het vrouwtje blijkt lid te zijn van een religieuze sekte. Ze heeft medelijden met ons en vraagt ons in het station te wachten tot ze haar bloemenzaakje kan sluiten. Daarna neemt ze ons mee naar haar woning, een statig herenhuis in de Koningin Astridlaan, vlakbij het Sint-Pietersstation en het Citadelpark. Het gemeubeld appartement op de eerste verdieping blijkt net vrijgekomen en ze biedt het ons aan tegen een zeer schappelijke huurprijs.

Met zo een lijnbus komen we in februari 1962 aan bij het Sint-Pietersstation te Gent. Op de grote luifel voor de ingang van het station wordt nog overvloedig reclame gemaakt voor het Amerikaanse sigarettenmerk 'Kent'. Roken is nog overal toegestaan, ook op de treinen en in alle openbare gebouwen.

"Kijk, broerke! D'r rijdt nen trein op de stroate!" Mijn eerste uitroep toen ik bij onze aankomst te Gent een tram van de MIVG (voorloper van 'de Lijn') zie voorbij rijden. Je kunt dan nog gemakkelijk op en van de tram springen terwijl jij nog aan het rijden is. Zwartrijden kan echter niet, want naast de bestuurder is er op elke tram nog een "conducteur" die kaartjes verkoopt en afstempeld. In 1962 kost een tramticket 4 Belgische frank (0,10 euro).

Gepest op school

 

Ergens in de maand maart neemt onze nieuwe papa een dagje vrijaf om samen met mama mijn broertje en mij in te schrijven in de Lagere Rijksnormaalschool in de Karel Ledeganckstraat. Ik word er in het zesde leerjaar ingeschreven. Mijn broertje in het derde.

Dat zorgt al meteen voor meer problemen. In de klas wordt ‘ABN’ (‘Algemeen Beschaafd Nederlands’) gesproken. Daar hebben mijn broertje en ik geen moeilijkheden mee, want dat spraken we ook in het Atheneum te Zottegem. Maar op de speelplaats spreken de kinderen Gents, een dialect dat we absoluut niet begrijpen. De hoop om op die school vlug wat nieuwe vriendjes te maken, wordt al vanaf de eerste dag de grond ingeboord. Mijn broertje en ik worden omwille van ons boers dialect op de speelplaats uitgescholden voor “achterlijke boerenkinkels”, “zigeuneruitschot” en “stinkende strontballen”. Wanneer één van de kinderen er enkele dagen later achterkomt dat mijn ouders gescheiden zijn en ons moeder met een jongere man samenwoont komt daar ook nog eens “zonen van een hoer” bij. We mogen niet deelnemen aan de spelletjes op de speelplaats. De leraars staan tijdens de speeltijd te roken en met elkaar te praten en ondernemen niet veel om de pesterijen te stoppen. Alleen wanneer het op een gevecht dreigt uit te lopen (mijn broertje en ik laten immers niet op onze kop zitten) komen ze tussenbeide.

 

De school in de Karel Ledeganckstraat waar mijn broertje en ik ingeschreven worden. Het torentje vooraan is een ronde trap die naar de bovenverdiepingen leidt. De zesde klas zit op de bovenste verdieping van het voorgebouw.

Innerlijk verscheurd

 

We hebben nu een luxueus dak boven het hoofd, met antieke glimmende meubelen en dikke tapijten op de houten vloer, maar mentaal blijven mijn broertje en ik in de hel ronddwalen, vooral wanneer het tot ons doordringt dat de situatie onomkeerbaar is. Enerzijds ben ik enorm opgelucht dat we ineens van de getuigen van Jehova, hun vervelende bijbelstudies, bijeenkomsten en het van deur tot deur leuren met hun boekjes verlost zijn, maar anderzijds missen we onze papa. Mama zegt dat nonkel Willy nu onze “nieuwe papa” is en we hem nu ook met “papa” moeten aanspreken. Ik voel het zo’n beetje als een verraad tegenover onze echte papa en heb het er moeilijk mee.

 

Ik mis de vrijheid en de overweldigende natuur van het dorp waar we opgegroeid zijn. En zelfs de geuren van de boerderijen en de stenen kapelletjes langs de veldwegeltjes, die me als kind altijd een soort veilig gevoel gaven, alsof God altijd heel dicht bij ons was om ons te beschermen. Ik mis ons gezellig café, de buren en de vriendjes die nog overbleven na onze toetreding tot de getuigen van Jehova. Maar ik mis vooral “mijn Dianneke”. Haar lieflijk beeld danst bijna de hele dag voor mijn ogen. Ik hoor haar lachen, voel haar lipjes op mijn wang, haar fijne handje in mijn handpalm. De gedachte dat ik haar nooit meer zal terugzien is ondraaglijk. Ik ben nog maar elf jaar en half, maar voel een soort ‘liefdesverdriet’ dat echt pijn doet in de borststreek.

 

Zo nu en dan voel ik de neiging opkomen om samen met mijn broertje van mama en onze “nieuwe papa” weg te vluchten en eventueel te voet terug te keren naar Godveerdegem, maar mijn liefde voor mama weerhoud mij daarvan. Ze is altijd onze steun en toeverlaat geweest en ik zou haar ook niet kunnen missen. Kortom, elke dag ontwaak ik met een duister, verscheurend gevoel, dat met niets weg te branden is. Of toch met iets: urenlang zit ik in de traphal naar de prachtige klassieke schilderijen te kijken die daar hangen. De vriendelijke eigenares van het huis, die op het gelijkvloers woont, merkt mijn belangstelling voor haar kunstwerken en vertelt er veel over. Er gaat een nieuw wereldje voor me open. Een wereldje waarin penselen als balerina's over een doek dansen en alles vorm, licht en kleur geven. Ik krijg zin de penselen te leiden en vertrouw aan het oude dametje toe dat ik ook heel graag teken en graag zou leren schilderen. Een dag later geeft ze mij een tekenblok, een doos kleurpotloden, een doos plakkaatverf en enkele penselen. Ik ben zó in de wolken met haar geschenken dat het lijkt alsof ik plots in die "Nieuwe Wereld" van de Jehova's getuigen terecht gekomen ben. Maar de herinneringen aan die ene gruwelijke nacht en de pijn om wat we eensklaps verloren, werpen heel donkere schaduwen over dat kleine geluksgevoel.

 

We gaan nog niet terug naar school en zitten als het ware enkele weken opgesloten in het appartement. Mama is dol van angst dat papa ons zal komen terughalen en durft alleen of met ons de straat niet op. Onze "nieuwe papa" is overdag gaan werken. Hij vertrekt al ’s morgens om 6 uur met de trein naar Brussel en komt pas ’s avond rond 19 uur terug naar huis. Mama vult haar dagen met het huishouden, met kleren uitwassen en strijken, en met breien en haken. Ik let er niet op wat mijn broertje ondertussen uitspookt. Meestal zit hij ergens stil in een hoekje of speelt hij onder de tafel met zijn rode plastieken sportwagen die hij van onze "nieuwe papa" heeft gekregen. En ik zit de hele dag aan de tafel te tekenen. Ik maak in het begin opvallend veel portretten van “Jezeke”, wellicht uit een soort innerlijk protest omdat ik van de getuigen van Jehova geen afbeeldingen van Jezus mocht tekenen (omdat niemand weet hoe hij er werkelijk heeft uitgezien). Maar ik teken ook landschappen en dieren uit mijn herinnering. Ik krijg van mama een schriftje en dat is al vlug volgeschreven. Geen verhaaltjes die ik uit mijn duim zuig, maar herinneringen uit de tijd dat we in Godveerdegem woonden en nauwkeurige verslagen van hoe ik me innerlijk voel. Het is mijn eerste autobiografie en dagboek tegelijk. Ik schrijf soms ook een 'liefdesbriefje' naar Dianneke, maar mama noch ik kennen haar adres en ik kan de briefjes dus niet versturen.