1962-leven-en-werk-04

Sober leven

 

Het is me al vóór de grote vakantie duidelijk geworden door mijn schoolrapport: ik moet het 6de schooljaar overdoen. Het gezinsdrama, de vlucht uit ons dorp, de abrupte overstap van het Zottegemse atheneum naar de Gentse normaalschool midden het schooljaar, het gepest op school, de aanvankelijk moeilijke aanpassing van het dorps- naar het stadsleven, de inwendige pijn en innerlijke chaos door het contactverlies met papa, de vroegere vriendjes en mijn Dianneke… het heeft zijn tol geëist. Ik haal wel de hoogste punten van de klas voor tekenen, spreekbeurten en opstellen schrijven, een ruim voldoende voor biologie en geschiedenis, maar bengel grandioos onder het gemiddelde voor wiskunde, aardrijkskunde, Nederlands (spelling en grammatica) en Frans. Ook mijn broertje – nu door iedereen “Bob” genoemd – moet zijn schoolhaar overdoen.

 

In de Egmondstraat hebben we intussen al twee nieuwe vrienden en een nieuw vriendinnetje gemaakt: Jean-Claude, Roland en zijn zusje Betty. Ze worden in de daaropvolgende jaren onze 'partners in crime' waarmee we heel wat avonturen beleven en de parkwachter grijze haren bezorgen. Door haar beminnelijke sociale ingesteldheid en altijd zeer verzorgd voorkomen maakt mama een aantal buurvrouwen tot vriendinnen, die er weinig of niets om geven dat ze haar man bedroog en met een jonger exemplaar samenhokt. Alleen een aantal Franssprekende kwezels uit de grotere burgerhuizen aan de overkant van de straat blijven ons als uitschot beschouwen en beantwoorden zelfs onze groet niet, maar mijn broertje en ik beschouwen ze dan ook al vlug als "noar omhuug gevalle schijtmadammen". Mama heeft een nieuwe huisdokter die nog gemiddeld twee keer per week over de vloer komt en haar medicijnen voorschrijft voor haar ongeneeslijke “zenuwziekte”.

 

We leven heel sober. Het vlees van de boerderijen, aardappelen en groenten uit de tuin van papa geplukt, en fruit rechtstreeks uit onze boomgaard zijn voedselwaren waar we alleen nog maar eens watertandend kunnen van dromen. Onze “nieuwe papa” is maar een gewone arbeider in een Brusselse fabriek en verdient niet zoveel. Mama ontvangt al sinds onze vlucht naar Gent geen kindergeld meer voor ons. Er komt dus maar weinig op tafel. Elke ochtend voor het ontbijt keuze tussen boterhammen met jam of brood gebrokkeld in een bord gesteriliseerde flessenmelk met kristalsuiker. s’ Middags: boterhammen met jam of kaas. s’ Avonds: idem dito. Zo nu en dan eens een sneetje beleg. Vlees, aardappelen, groenten en fruit komen enkel de zondag op tafel. Kleren worden gedragen tot ze op de draad versleten zijn, maar mama zorgt er voor dat ze altijd piekfijn gewassen en gestreken zijn. Persoonlijke hygiëne staat al van bij onze geboorte op de hoogste traptrede. De enige luxe die we hier in Gent hebben is stromend koud water uit een kraan in de keuken (in Godveerdegem moesten we nog elke dag het drinkwater oppompen uit een put). Elke ochtend en avond wassen we ons om beurten volledig met koud water en lekker geurende zeep.

 

De gevel van ons huis ziet er afschuwelijk uit. Afgebladderde verf, een dakgoot die lekt, scheefgezakte “blaffeturen” aan de venster op het gelijkvloers die niet meer kunnen gesloten worden… Pas enkele jaren later worden de gevels door de gierige huisjesmelker van die reeks rijhuizen gerenoveerd. Maar binnen ons huis glimt elk voorwerp. Alle muren zijn door onze nieuwe papa en mama herbehangen en al het houtwerk binnen het huis is intussen herschilderd. We hebben vooraan, naast de lange smalle gang, een nieuwe salon en eetplaats (die echter zelden gebruikt worden). We eten en leven in het keukentje achteraan. Voor de keuken en onze slaapkamers worden tweedehands meubelen aangekocht, die onze nieuwe papa vakkundig herschildert. Mama is alle dagen druk in de weer met borstel, dweil en stofdoek. Geen stofje krijgt bij wijze van spreken de kans zich langer dan een minuut op een kast te nestelen. Onder de voorwerpen die op de kast staan liggen kunstige, creme kleurige napjes die mama zelf gehaakt heeft.

 

Spinnen en spinnenwebben vinden we alleen in ons kleine hofje, waar mama enkele bloemen zaait en een paar struikjes plant, nadat onze nieuwe papa de muren heeft afgeschuurd en witgekalkt. De grote slaapkamer van mama en haar minnaar bevindt zich aan de voorkant op de eerste verdieping. Mijn broertje heeft een ruime slaapkamer aan de achterkant op de eerste verdieping. Hij kan er uitkijken op de grote tuin van de nonnen, want op de hoek van de straat, kant Kortrijksesteenweg, staat nog een oud nonnenklooster. De grote, prachtig onderhouden tuin loopt tot aan de Leopold II laan. Ikzelf heb een ruime kamer op de zolderverdieping, met twee ramen die uitkijken op de straat. Als ik naar buiten kijk zie ik links het Citadelpark. Deze grote zolderkamer wordt voor ruim negen jaar mijn slaap-, ontspannings- en studeeroord, mijn schrijfkamer en teken- en schildersatelier.

 

Inferno in het Citadelpark: vlammenzee en ontploffingen verwoesten het 'Kuipke'

 

Maandag, 12 november 1962. We hebben net een vrij tof weekend achter de rug met onze nieuwe vriendjes in het Citadelpark. Het was een bewolkt weekend, met slechts nu en dan een streepje zon, af en toe een regenbui en een gemiddelde temperatuur van ongeveer 15 graden. Maar zelfs een fikse regenbui houdt kinderen niet binnen. We hebben urenlang gespeeld in de grote zandbak naast het Floraliënpaleis en onder de kunstmatige grotten.

 

In de nacht van zondag op maandag worden we plots opgeschrikt door een oorverdovende knal. Ik kijk slaperig door het raam en zie dat de hemel boven ons huis in de richting van het Citadelpark helemaal felrood gekleurd is. Broer Bob moet uit zijn raam hetzelfde gezien hebben. In paniek stormen we naar de slaapkamer van mama en onze nieuwe papa, maar we treffen ze er niet aan. We horen intussen nog een aantal oorverdovende knallen, met daartussen het geloei van sirenes van brandweerwagens en geschreeuw van mensen op straat. Angst snoert ons de keel. Is armageddon dan toch begonnen? Is de angstaanjagende voorspelling van de getuigen van Jehova, die we duizend keer hebben moeten aanhoren, dan toch geen afschrikmiddel om goedgelovige zieltjes naar hun kant te trekken?

Vliegensvlug trekken Bobke en ik onze kleren aan en rennen naar beneden. De voordeur staat open. Mama en onze nieuwe papa staan buiten. Mama heeft haastig een mantel over haar nachthemd getrokken en onze nieuwe papa een jas over zijn pyjama. Buren staan in hun nachtgewaden op straat en schreeuwen naar elkaar. Sommige lopen nieuwsgierig in trosjes naar het einde van de straat, richting Citadelpark. In panische angst klampen mijn broertje en ik ons vast aan mama.

“Es Armageddon begonne, mama?” vraag ik huilend.

Ik zie ook op mama’s gelaat een grote angst. Ze omarmt ons in een beschermend gebaar en zegt met bevende stem: “Ik weet het nie, manneke. D’r es in elk geval iets heel ergs oan 't gebeure in 't Citadelpark. Bid nu moar eerst tot Jezeke en vroag om zijn bescherminge”.

 

De enorme knallen volgden elkaar nu vrij snel op en telkens wordt de lucht iets feller rood. Boven ons hoofd vliegen grote angstig krijsende vogels in cirkels rond. Ze komen uit de richting van het Citadelpark aangevlogen. In de rode gloed van de lucht lijken het precies zwarte, gevleugelde duiveltjes.

Samen met mama en haar minnaar lopen we naar de andere buren die zich op het eind van de straat hebben verzameld. Buurmeisje Betty, haar ouders, zus en twee broers staan ook aan hun deur. Ik loop naar Betty en vraag angstig of zij weet wat er precies aan de hand is. Ze haalt bevend de schoudertjes op en blijft, zoals iedereen, met grote angstige ogen de richting van het Citadelpark staren. Er is van hieruit niet veel te zien, alleen een rode gloed tussen de boomtoppen, maar de mensen opperen door elkaar allerlei veronderstellingen, gaande van ontplofte bommen uit de Tweede Wereldoorlog tot een bombardement van de Russen, want door de Koude Oorlog tussen de USA en de USSR vreest men in die jaren nog volop voor een derde wereldoorlog.

 

Even later komt een buurman, die moedig in zijn eentje in het park een kijkje is gaan nemen, naar de mensen teruggerend.

“Het Kuipke is aan het uitbranden!” roept hij, “De pompiers zijn al ter plaatse en met de bluswerken begonnen!”

Ik heradem. Armageddon is dus blijkbaar nog niet voor deze nacht. Het is ‘maar’ een brand in één van de grote gebouwen in het Citadelpark.

“En die hevige knallen?” roept iemand.

“Dat zijn de butaangasflessen die daar opgeslagen liggen. Door de enorme hitte ontploffen ze!”

“En die grote vogels boven ons hoofd?” vraag ik met overslaande stem.

“Er is dezer dagen in het Kuipke juist een grote tentoonstelling van levend pluimvee aan de gang. Die vogels die hier rondcirkelen zijn deze die aan de brand kunnen ontkomen,” zegt iemand.

Het ‘Kuipke' brandt die nacht volkomen uit; zelfs het dak en de meeste zijmuren zijn totaal verdwenen.

 

Mama maant ons even later aan om weer te gaan slapen, maar daar heb ik geen oren naar. In plaats van te slapen werk ik enkele nachtelijke uren aan het opstel dat we twee dagen later moeten inleveren. We hebben enkele dagen vóór de brand in het Citadelpark de opdracht gekregen een opstel te schrijven dat gebaseerd is op een echte gebeurtenis. Aanvankelijk wou ik een opstel schrijven over de scheiding van mijn ouders. Daar heb ik in mijn dagboek al ettelijke bladzijden aan gewijd en ik hoef het dus maar over te schrijven. Maar de onverwachte, dramatische gebeurtenis in onze buurt inspireert me nu voor een totaal ander soort verhaal.

 

Hoe meer zinnen ik op een kladblad schrijf, hoe meer mijn fantasie begint te werken. Het wordt dus geen objectief ‘journalistiek’ verslag, maar een fictieverhaal waarin een waar gebeurd feit aan de grondslag ligt en de rest totaal verzonnen is. Schaamteloos bevorder ik mezelf in het verhaal tot de grote held. Ik beschrijf in geuren en kleuren en met veel superlatieven hoe buurmeisje Betty in panische angst naar de alles verwoestende vuurzee is gerend, en hoe ik haar moedig achterna ben gelopen om haar terug te halen. Ik beschrijf hoe de brandende balken en het zwart geblakerde pluimvee vlak naast ons neerstorten, hoe de hete wind van de ontploffingen ons de adem beneemt en achteruit slingert, en met hoeveel moeite ik Betty’s bewusteloze lichaam van tussen de brandende brokstukken in veiligheid breng in de kunstmatige grotten vlakbij, tot wij door de brandweercommandant en zijn korps veilig naar onze ouders worden gebracht en ik om mijn moed en zelfopoffering een daverend applaus in ontvangst mag nemen van onze zeer verontruste ouders en van de buren.

 

Ik slof een paar uur later met kleine oogjes van vermoeidheid naar school, maar niet alvorens een kleine omweg te maken naar de plaats van de ramp, op nog geen tweehonderd meter van ons huis. Het uitzicht is hallucinant. Het vertrouwde ‘Kuipke’ ligt volledig in as. Geen zijmuur staat nog overeind en ook het dak werd door de ontploffingen van de butaangasflessen weggeblazen. Tussen de verwrongen en zwartgeblakerde metalen resten van het gebouw kringelt hier en daar nog wat rook op. Brandweermannen zijn nog druk aan het nablussen. We ruiken tussen de geur van verbrand hout (van de houten wielerpiste is niets meer over) de stank van de honderden vogels die het inferno niet overleefden. Wanneer de brandweermannen ons in het vizier krijgen worden we schreeuwend weggejaagd. Er kan immers nog elk moment een butaangasfles ontploffen. Ik bewonder de brandweermannen die hun leven op het spel zetten om erger te voorkomen. Op onze verdere weg naar school zien we hier en daar verkoolde resten liggen van vogels die probeerden te ontsnappen maar het uiteindelijk niet haalden. Roet kleeft aan onze schoenzolen.

 

Mijn broertje en ik komen te laat op school, waar iedereen intussen al gehoord heeft dat het ‘Kuipke’ die nacht volledig uitgebrand is. Aangezien de leraar weet dat ik daar vlakbij woon begrijpt hij dat ik maar weinig kan geslapen hebben door het kabaal die de ontploffingen van de gasflessen en de sirenes van de brandweerwagens in de buurt hebben veroorzaakt. Hij vermaant mij die dag dus niet wanneer ik eens zit te knikkebollen aan mijn lessenaar en niet gehoord heb wat hij vertelt.

 

Inferno zorgt voor beste opstel uit mijn jeugdjaren

 

Na schooltijd rust ik eerst enkele uren uit en schrijf dan in schoonschrift mijn opstel over op gelijnd papier. Het worden zes beschreven kantjes, wat uitzonderlijk lang is voor een opstel (de meeste scholieren houden het doorgaans bij een halve tot één volle pagina). In mijn enthousiasme teken ik er ook nog enkele illustraties bij, wat niet echt gebruikelijk is bij een opstel.

‘s Anderendaags lever ik trots maar toch een beetje onzeker het werkstukje af aan meneer Coppieters, onze leraar. Hij kijkt met opgetrokken wenkbrauwen naar de omvang van mijn epistel en geeft me een knipoogje.

Wanneer hij alle opstellen doorgenomen heeft komt hij met het mijne in de hand vlak voor mijn schoolbank staan.

“Heb je dat allemaal écht beleefd?” vraagt hij. Ik meen een vage glimlach om zijn lippen te bespeuren, maar toch ben ik niet zeker of hij nu ontstemd of goedgeluimd is.

“Heugh… een klein beetje is waar… maar de rest heb ik erbij gefantaseerd,” zeg ik met een fijn stemmetje, terwijl ik mijn hoofd tussen de schouders trek alsof ik een klinkende oorvijg verwacht. Meneer Coppieters geeft ons nooit een lijfelijke straf, maar de oorvijgen van de nonnen en slagen op mijn vingers met een stalen regel, die ik ooit als hummeltje op de dorpsschool heb gekregen van de pastoor die ons godsdienstles gaf, zwerven nog altijd als akelige demonen in mijn hersenpan rond, waardoor ik jaren later nog vaak mijn hoofd tussen mijn schouders trek en mijn vingers achter mijn rug verberg wanneer een volwassene plots – al dan niet dreigend – voor mij komt staan.

 

Meneer Coppieters legt het opstel op mijn lessenaar, haalt zijn rode balpen uit het borstzakje van zijn vest en schrijft zwierig in de rechterbovenhoek van het eerste blad een 10, het hoogste cijfer.

“Let in het vervolg een beetje beter op de spel- en dt-fouten!” fluistert hij vriendelijk. “En ga nu maar met je opstel voor de klas staan en lees het luidop voor,” vervolgt hij wat luider. “Dat is eens iets anders dan de slordige, inspiratieloze kattebelletjes die de leerlingen doorgaans inleveren!”

Ik doe wat mij gevraagd is en voeg tijdens het aflezen zelfs hier en daar nog een fantasietje toe. Wanneer ik tussendoor opkijk, zie ik zie de bewondering om mijn heldenmoed op de gezichten van mijn klasgenootjes groeien. En als ik fier terug naar mijn plaats stap en aan iedereen nog eens de tekeningen laat zien die ik bij het opstel maakte, zie ik hoe sommigen mij van kop tot teen monsteren, om te ontdekken of ik tijdens mijn heldhaftig avontuur geen brandwonden heb opgelopen. Er zijn natuurlijk enkele leerlingen die meteen door hebben dat ik de meeste feiten verzonnen heb, maar zelfs zij steken knipogend hun duim op om te kennen te geven dat zij het een spannend verhaal vonden.

 

Dankzij mijn verbeeldingskracht en aanleg voor tekenen heb ik eindelijk wat respect afgedwongen bij mijn medeleerlingen. Ik ben nu ineens geen “stinkende boerenkinkel” of “hoerenzoon” meer. Tijdens de speeltijd word ik nu uitgenodigd om mee te doen met de balspelletjes. Mijn broertje, die drie klassen lager zit maar tijdens de gemeenschappelijke speeltijden altijd bij mij is, geniet mee van deze positieve verandering. We maken eindelijk weer deel uit van de grote groep. Schoolgaan wordt ineens een stuk aangenamer. We vertrekken nu elke ochtend naar school zonder angst om opnieuw uitgescholden en gepest te worden.

 

Wanneer ik 's avonds aan Roland en Jean-Claude vertel dat ik een tien kreeg voor mijn opstel wil Betty het ook eens lezen.

"Gij leugenaar!" zegt ze na het lezen, maar ik merk aan haar oogjes en glimlach dat ze het fijn vindt dat zij een belangrijke bijrol kreeg in mijn verhaal.

"Zoudt ge mij écht redden moest ik in nood zijn?" vraagt ze even later, haar hoofdje schuin en een schalkse glimlach op haar gezichtje.

"Tuurlijk!" antwoord ik meteen hoogmoedig, hoewel ik er aan twijfel of ik dat werkelijk zou doen, want een grote held ben ik alleen in mijn fantasie.

"Dan zijt ge vanaf nu mijne ridder!" zegt ze, terwijl ze vluchtig een kusje op mijn wang drukt.

Heel even lijkt het alsof Betty mijn “nieuwe Dianneke” is. Ze dragen alletwee een brilletje, hebben alletwee een blonde paardenstaart en Betty lijkt zelfs net zo heerlijk als Dianneke te ruiken.

Betty schenkt me vanaf dan iets meer aandacht dan ervoor, en nadat ik haar kapotte fietsje vakkundig heb hersteld (ik heb papa genoeg fietsen zien herstellen om te weten hoe ik elk onderdeel weer aan de praat moet krijgen) is het duidelijk dat ze al iets meer dan vriendschap voor me voelt. Als we nu met ons groepje het Citadelpark doorkruisen loopt ze altijd naast mij. In de zandbak rollen we al eens speels over elkaar en soms raakt ze eens heel teder mijn hand, arm of schouder aan. Maar tussen ons zit nog de herinnering aan mijn Dianneke, die ik nog niet uit mijn gedachten kan zetten. En een jaar later word ik halsoverkop verliefd op Doris, het knappe vriendinnetje van Betty, zodat een jeugdromance tussen mijn buurmeisje en mij geen kans krijgt om open te bloeien. Blonde Betty met haar paardenstaartje, bril en eigenzinnige karaktertje groeit wel uit tot mijn allerbeste jeugdvriendinnetje dat ik in Gent gekend heb. Zij zal later in mijn verhaal nog vaker ter sprake komen.

Leven en werk van Antoine Bomon - 1962 -04