1962-leven-en-werk-05

1962: einde van de lijdensweg van de trekhonden

 

In de jaren vijftig worden honden in ons dorp nog niet als echte huisdieren behandeld, waarmee ik bedoel dat je ze nog maar heel zelden binnen in de huizen zag. Men trof ze voornamelijk aan op de erven, waar ze hun leven lang dag en nacht buiten aan de ketting lagen. Ze dienden vooral als waakhond. Als er iemand op het erf kwam begonnen ze te blaffen en wist de boer dat hij bezoek had. Ik kan me niet herinneren dat ik in het dorp ooit iemand met een hond heb zien wandelen, loslopend noch aan een leiband.

Van typische hondenvoeding was in die jaren nog geen sprake. De dieren kregen dagelijks de restjes van het voedsel dat de mensen aten en wanneer er een varken of rund geslacht werd kregen ze het vleesafval en de botten die niet voor menselijke consumptie geschikt waren.

 

Grote honden zag je in die jaren ook nog vaak als trekdieren. Ze trokken onder meer de kleine karren met grote metalen melkkannen van de boerderijen naar de weiden of in omgekeerde richting.

Hoewel er al sinds 1911 wetten bestonden die het leven van trekhonden moesten verzachten, hadden veel landbouwers en andere mensen die honden als lastdieren gebruikten daar geen oren naar, of ze kenden gewoon de wetten niet. Veel van die honden leidden een echt erbarmelijk hondenleven. Je zag veel uitgemergelde honden met afgesleten voetzolen die onvoorstelbare gewichten moesten voorttrekken, tot soms meerdere honderden kilo’s per hond. Na jarenlang trekwerk waren de gewrichten versleten, waardoor iedere beweging veel pijn deed. De kwellingen waren niet alleen van lichamelijke aard, maar ook van geestelijke: veel honden werden door de mishandeling door de baas en pesterijen door straatjongens vals en agressief.

Gelukkig wordt er in 1962 een nieuwe wet van kracht die het gebruik van de hond als trekkracht geheel verbiedt. Maar daarmee is het hondenleed nog niet meteen van de baan.

Op de boerderijen: honden dag en nacht aan de ketting, met weinig of geen bewegingsvrijheid.

Honden aan de trekkar. In de jaren vijftig én zestig nog een vertrouwd beeld in vrijwel alle dorpen.

Laika, ultieme vriendschap op vier poten

 

Enkele van mijn schoonste jeugdherinneringen gaan uit naar Laika, een straathondje dat zeventien jaar lang getuige was van al mijn ontgoochelingen en overwinningen, van al mijn vreugdes en verdrietjes...

 

In ons dorp ben ik altijd omringt geweest door dieren: onze eigen kippen en konijnen, de koeien, vaarzen, kalfjes en stieren in de weide achter ons huis, de varkens, kalkoenen en geiten op de erven, Max, het oude boerenpaard van boer Vijze, op wiens rug we af en toe eens mochten zitten als de boer ermee naar de velden trok, zijn hond die aan de ketting lag en die we dikwijls wat eten gaven en aaiden, de katten… Al deze dieren mis ik nu in Gent.

 

Ik heb al, van sinds we in het appartement zijn ingetrokken, aan mama gevraagd op ik een hondje kreeg, maar op dat gemeubeld appartement kon dat niet. Nu we echter in dat rijhuis wonen, mag het wel. Ik ren naar het Dierenasiel in het Citadelpark waar je toen nog gratis een kat of hond kon krijgen. Ik kom terug met een kanjer van een beest: een ongeschoren zwarte koningspoedel, die er nogal verwaarloost uitziet.

Mama schrikt zich rot. “Breng da biest onmiddellijk trug!” roept ze. “’k Heb gezegd: ’n klein hondeke! Den diene zal hiel ons kot afbreke!”

Ontgoocheld stap ik met de hond terug naar het Dierenasiel. “’k Mag alleen een klein hondeke hebbe,” zeg ik ontgoocheld, “’n jongske van een klein ras.”

Maar dat hebben ze op dat ogenblik niet.

Net wanneer ik verdrietig het asiel wil verlaten komt er een man binnen met in een kartonnen doos vier puppy’s die hij pas ergens gevonden heeft. Ik mag ze bekijken en er eventueel eentje uitkiezen. “Ze stinken en zijn verwaarloosd,” zegt de man, maar dat kan me geen barst schelen. Het liefst zou ik ze alle vier meenemen naar huis, maar dat zal wel niet mogen van mama en onze nieuwe papa. “Welk ras is ‘t? Worden die groot?” wil ik weten.

“’t Zijn zeker geen rashondjes. Een kruising van een fox met… tja, met een andere hond. En groot zullen ze niet worden. Hoogstens tot aan je knie, vermoed ik.”

Eén van de puppy’s heeft intussen compleet mijn hartje veroverd. Een zwart-wit gevlekt scharminkeltje, zo te zien een teefje. Ik neem het uit de doos en aai het. Het stinkt naar urine en mest, maar ik kan het niet nalaten om het een kusje op het kopje te geven. Het vleit zich heel zachtjes jankend in mijn hals en ik voel het meteen: dit hondje wordt mijn allerbeste viervoetig vriendinnetje.

Nog vóór ik er mee thuis kom heeft het lieverdje al een naam: Laika. Deze naam van het Russische hondje dat in 1957 in de ruimte stierf, schiet me het eerst te binnen. Ik herinner me dat ik veel verdriet had toen ik hoorde dat het eerste ruimtehondje al na drie of vier omwentelingen rond de aarde gestorven was aan stress en oververhitting. Mijn Laika zou dus een blijvende herinnering zijn aan dat ruimtehondje.

Mama en mijn broertje zijn er ook meteen door vertederd. Mama warmt meteen wat water op en wast het beestje alsof het een baby’tje is. Intussen zoek ik een kartonnen doos. Mama legt er wat oude kleren in en zo wordt Laika ons nieuw gezinslid. In de daaropvolgende dagen ben ik niet van de doos weg te slaan. Ik steek doorlopend mijn vinger in een schaaltje melk en laat er Laika op zuigen. Gelukkig overleeft ze het en ze wordt een hartverscheurend gezellinnetje. Van zodra ze dartel kan lopen neem ik haar regelmatig mee naar het Citadelpark. Ze wordt de kleine lieveling van al mijn speelmakkers. Vooral Betty is er dol op.

Laika, ongeveer twee jaar later. Nadat ze zelf het leven geschonken heeft aan drie puppy's, die gratis weggeschonken worden aan drie gezinnen die graag ook een hondje willen, zoogt ze een babykatje dat door de moeder verstoten is.

 

Pas vier decennia later ontdenk ik tijdens een zoektocht op Google de frapante gelijkenis op met het Russische ruimtehondje naarwie ze genoemd werd. Hoewel verschillend van ras hebben ze min of meer dezelfde tekening op het kopje. Een zeer merkwaardig toeval!

Leven en werk van Antoine Bomon - 1962 -05