dagboekverhaal-de-laatste-elf

Zondag, 28 december 2009 - Iets meer dan twee maanden is het geleden sinds ik hier nog een woordje naliet. De winter leek nog zo ver af toen ik het vorige dagboekverhaal schreef. De zomer zinderde nog na tussen de warmkleurige herfstbladeren, en het zag er toen nog een beetje naar uit dat we door al dat gepalaver over de opwarming van de aarde nooit meer ijs zouden zien op de Vlaamse wegen.

Intussen hebben we - na zoveel jaar - weer eens een witte kerst mogen meemaken, en werd de vriendin die me aanvankelijk “broertje” noemde om mijn handen uit de buurt van haar borsten en schoot te houden, mijn “elfje”.

Een vluchtig, snel wegvluchtend elfje, want al na één week begonnen haar broze vleugeltjes het te begeven onder het gewicht van de ervaringen uit het verleden, onder de zware lichtheid van de dagelijkse realiteit. Teveel jaren hadden we ons verscholen in de cocon van een alleenstaand leven. We hadden het vermogen verloren om onze dagdagelijkse bezigheden, onze gevoelens en principes op elkaar af te stemmen en met elkaar te delen.

Slechts één week mochten wij met volle teugen genieten van een samengesmolten geluk. Eén week vol tedere passie en opgeblazen geluksgevoelens. Eén week die me weer in sprookjes liet geloven. Eén week waarin sigarettenrook op de bedwelmende, geurige walmen van wierookstokjes leek. Eén week waarin mijn geliefde Duitse herdershond en mijn creatieve drijfveren naar het tweede plan werden verschoven, want je kan maar aan één ding tegelijk al je aandacht en liefde schenken.

Het is voorbij. Onze match is uitgespeeld, nog voor hij goed en wel begonnen was. We scoorden geen van beiden een goal en zitten nu beiden met het gevoel opgescheept dat we door de ander slechts als speelbal gebruikt werden.

We hebben het gehad, niemand kan het ons nog afnemen. Maar de prijs voor dit kortstondig vleugje levensgeluk was hoog. Nog maandenlang zal ik het zo onverwacht in mijn schoot gedropte godengeschenk moeten afbetalen met verdriet en pijn, met wroeging om de verwijten die bij het afscheid werden geuit. Nog lang zal ik wellicht het verlangen koesteren om de klok terug te draaien en het een beetje anders aan te pakken. Maar alleen de goden kunnen de tijd terugdraaien, en goden zijn we niet. Verre van! Slechts in een videogame kan de mens als een god telkens weer van vooraf aan beginnen.

Hoe het begon en hoe het eindigde ga ik hier niet in detail vertellen. Dat sluit ik op ik in het klooster van mijn privacy. Elke liefdeshistorie is trouwens dezelfde, hoe verschillend ze ook lijken. Hoe kort of lang ze ook duren: ze beginnen telkens met een feestelijke cocktail van vuur en verlangen, van geven en ontvangen, van rozengeur en roze wolkjes, van tintelende vingertoppen en banale verkleinwoordjes. Het begin is telkens een feest van het hart en van de emoties, vol glitter en glamour. Een party boven de wolken, een vakantie in de Elyzeese Velden. En ze eindigen allemaal als een dolksteek in het hart, als een duik in een poel van bevroren glassplinters. Op het eind sta je in dat lege station in die kille woestijn, met mondhoeken die naar beneden trekken, met ogen die niets meer zien, met gevoelens die als schurend prikkeldraad je hart omklemmen. Het valt je zwaar om vooruit te kijken, je blikken blijven de verloren beelden gevangen houden. Je probeert een dode weer tot leven te wekken, een afgekapte boom te herplanten. Je probeert de plotse eenzaamheid te omhelzen, maar grijpt slechts naar een huid waar niets meer inzit. Je valt in een ravijn van pijn, hoop verkleurt in wanhoop, tijd wordt tijdloos. Je kruipt in een harnas van zelfbeklag en zelfmedelijden. Je probeert de ander te kwetsen om je eigen kwetsuren te zalven. Liefde vloeit tijdelijk of blijvend over in haat. Je kruipt in een zetelbed dat nog de geuren van verwelkte passie uitademt, kokhalst om je eigen innerlijke verscheurdheid. Je probeert de draad weer op te nemen, maar raakt slechts pluizen aan die als distelpluisjes geluidloos wegzweven. Je plant een voetafdruk op de ‘Boulevard of Broken Dreams’, pinkt een traan weg en wenkt naar wat niet meer is. De eenzaamheid valt als een reusachtige hagelsteen op je hoofd; het lijkt alsof je voor het eerst ontdekt dat je ook alléén staat midden in een massa, want die massa voelt je pijn niet, heeft geen besef van het feit dat ijs diepere brandwonden nalaat dat vuur.

 

Voorbij…

Ik probeer het nu te zien als een kortstondige, noodzakelijke passage in mijn leven. Niets is zinloos, alles heeft een reden. Doch, het valt me heel zwaar het gevoel van me af te schudden dat we echt voor elkaar bestemd waren en er samen iets moois hadden kunnen van maken. Het is ons niet gelukt, wij hebben er door een samenloop van omstandigheden en teveel innerlijke spanningen niet voldoende tijd voor gekregen.

Ik probeer mijn gevoelens nu te verwoorden, maar welke zin hebben woorden, als ze als zand tussen de vingers wegglippen?... Wat rest er trouwens nog van alle mooie woordjes die wij elkaar in die éne week als dolverliefde tieners toefluisterden?... Niets anders dan gebroken en verminkte letters, scherpe scherven en splinters die niet meer gelijmd kunnen worden... Wat blijft er nog over van de zoetzure passie, van de boterzachte tederheid, van de onbeschrijflijke gevoelens? Niets anders dan met verdriet en haat besmeurd drijfzand, waar niets meer in groeit en waarin alle licht opgeslokt wordt.

 

Voorbij!

The end of the route!

We hebben, zoals zo vaak gezegd wordt, de trein naar een mooie bestemming gemist. Het station ligt er nu verlaten bij en de overgebleven reizigers zijn nog slechts schimmen. We staan nu aan de kant, wezenloos toe te kijken naar de bruin wordende rozenblaadjes, onze ziel zwartgeblakerd door de vlammende wederzijdse verwijten na de breuk, met een hart dat nog slechts een bloederige, kloppende pomp is. Met herinneringen die alleen de slechte momenten proberen af te schilderen, want wat verkeerd liep rechtvaardigt de mislukking. Soms, als een vlijmscherp mes, een glimp van een gelukkig en teder moment, dat te zwaar was om dragen; een moment dat we nu als een steen over het water ketsen, om ons te troosten aan de kringen die uitdeinend verkringen.

 

Ach, sorry, het is nacht en de eenzaamheid stemt me triest poëtisch. Poëzie is pijn in een bloemenhuid, is leegte gevuld met holle frasen. Poëzie is het elixir dat zelfs nog aan brak water een genietbare smaak toevoegt. Ik wil dit nog even met mijn elfje delen, een afterparty na een niet geslaagd feest, een glanzende traan op een dorre schandvlek. Nog steeds heb ik haar lief, maar die liefde zit nu opgesloten in een bunker zonder deuren of vensters. Er is geen weg terug, geen weg meer samen vooruit. Er is niets meer dat ons nog aan elkaar bindt, de navelstreng is doorgeknipt.

 

Vlieg, elfje, vlieg weg, vlieg ver weg van mij vandaan! Ik hou je niet meer vast. Je bent bevrijd van mijn verwachtingen, bevrijd van het gevoel dat je altijd voor mij klaar moest staan, bevrijd van het gevoel dat ik je opeis, dat ik je verstik en je niet de nodige vrijheid laat. Ik heb je niets meer te bieden. Ik ben nog slechts een lege zak waarop de afbeelding van de prins stilaan vervaagd.

 

We zijn nu zelfs geen vrienden meer. Ze kiepte me zelfs al net voor de breuk uit haar vriendenlijst op Netlog, als was ik een stuk versleten speelgoed dat stonk naar alles wat niet deugd. Liefde volgt wel eens op vriendschap, maar vriendschap na liefde is zeldzaam. Het lijkt op een degradatie na een promotie. Ik heb haar na de breuk nog mijn vriendschap aangeboden, maar de aangeboden hand liet ze bevriezen door de ijzige wind van de haat. Het maakte me innerlijk woest. Het zorgde er voor dat ik haar verwijten naar het hoofd slingerde die ik niet meende, maar waarmee ik haar tot in het diepste van haar ziel wou kwetsen. Ze liet zich niet onbetuigd en pareerde mijn steekspel, gaf me op haar beurt ook steken van de degen. Het mondde uit in een onomkeerbaar vechtspel, en het verwoeste uiteindelijk het laatste restje hoop dat het ooit nog kon bijgelegd worden. Ze lijkt nu een vreemde, een vrouw waarvan ik slechts de schaduw heb gekend.

Ze was mijn laatste elfje.

 

Voor mij hoeft het nu niet meer. Wat nu nog komt zullen slechts eendagsvliegen zijn zonder vleugels, gezichten waarin ik geen schatten meer ga zoeken. Lichamen van borsten en billen, van passiezweet en ontkleurde geuren.

Ik zal - uit een zucht naar zelfbehoud - in de herfst van mijn leven (of ben ik dan toch al aan de winter toe op mijn negenenvijftigste?) leren om vrouwen enkel nog te zien als sierlijke lustdiertjes waar men zich niet mag aan hechten. Wat niet diep zit, doet ook geen pijn als het uit elkaar spat, en passie is passie; de verpakking is bijzaak. De knop is omgedraaid, het warme licht is uit en de chaos in mij kan zich uitleven in de kunstmatige schijnwerpers van vernis en oppervlakkigheid, van schijngeluk en zwarte regenbogen.

Vaarwel liefde.

Vaarwel geloof in de liefde.

Vaarwel vertrouwen.

Vaarwel hoop.

 

Van de sierlijke schepen waarmee we vol hoop en vertrouwen aan onze korte odyssee begonnen rest nog slechts wat aangespoeld wrakhout. De masten zijn afgeknakt en in de diepte verzonken, de zeilen verscheurd door een tornado van onbegrip. De storm van verwijten is intussen gaan liggen, de kleuren van het zelfbehoud keren stilaan terug. Maar de vogels in mijn hart zwijgen. Zij hebben niets meer om over te zingen.

DAGBOEKVERHAAL VAN ANTOINE BOMON

 

De laatste elf