dagboekverhaal-lulu-wang-mijn-oosterse-parel

DAGBOEKVERHAAL VAN ANTOINE BOMON

 

Lulu Wang,

mijn Oosterse parel

Het hierna volgend dagboekverhaal schreef Antoine Bomon naar aanleiding van zijn kersverse FB vriendschap met de bekende en geliefde Chinees-Nederlandse schrijfster Lulu Wang. Het verhaaltje is een ode aan de kracht van het woord en de dialoog.

 

Zondag, 12 december 2010 - Sinds ik haar via Facebook leerde kennen zit er weer een parel tussen de gedeukte schelpen van mijn ziel. Een Oosterse parel, met een parelmoeren glans waarin het broze universum van onbestemde gevoelens zich wentelt tussen de stromen van respect en bewondering.

Lulu Wang.

Een naam die door duizenden literatuurliefhebbers aanbeden wordt, en vooral door het mannelijk deel van haar grote schare bewonderaars geassocieerd wordt met gratie, charme en lieflijk sexappeal. Een dame die je meteen laat wegdromen, niet alleen door haar pennenvruchten maar misschien nog zelfs een ietsepietsje meer door haar ongrijpbare uitstraling. Een uitstraling geboetseerd door twee ogenschijnlijk totaal uit elkaar lopende culturen, maar vooral handzacht gladgestreken door een mix van intelligentie, verbluffend talent, inzicht, nederigheid en een spontane meisjesachtigheid die haar eeuwig jong houdt.

 

Meer dan een miljoen boeken verkocht ze al wereldwijd. Een indrukwekkend mathematisch gegeven, uiteraard. Maar het vertelt ons nog meer dat de literatuur van Lulu Wang een brug bouwt tussen twee mensenrassen die elkaar nog altijd met een zekere argwaan en voorzichtigheid begluren. Is ons immers niet ingestampt dat het ‘Gele Ras’ op zekere dag de hele wereld zal overspoelen en alle westerse verworvenheden zal verdelgen als onkruid? Die indruk kreeg ik toch toen ik als jonge knaap ‘Het Gele Gevaar’ las, met mijn geliefde Blake & Mortimer stripfiguren van mijn beroemde collega E.P. Jacobs, die ik ooit nog vol ontzag de hand schudde als was hij de profeet onder de Belgische striptekenaars. Maar, denk ik nu, als onze westerse maatschappij op een dag zou overspoeld worden door enkele miljarden Chinezen die precies zijn zoals Lulu Wang, dan zal ik de eerste overtuigde collaborateur zijn, want met zulke innerlijke kwaliteiten kan onze westerse maatschappij er alleen maar beter op worden.

Spijtig genoeg zijn alle Chinezen echter niet zoals Lulu Wang. Dat bewijst de onderdrukking in haar land. Een enorm uitgestrekt rijk, dat nog flink worstelt met eeuwenoude strenge en strak gestructureerde tradities en het ontluikende verlangen om zich te integreren in een hedendaags wereldbeeld waar alle volkeren geleidelijk aan op economisch, sociaal, artistiek en wetenschappelijk vlak naar elkaar toegroeien. Want dat is een onomkeerbare en noodzakelijke evolutie, die nodig is om er voor te zorgen dat de mensheid zichzelf niet uitroeit.

 

De tijd van het nationalistische gedachtegoed is immers al lang voorbij. Het behoort tot een oertijd waarin de overlevingskans van een groep nog afhankelijk was van het stuk vruchtbare grond dat de groep bezat. Een oertijd waarin grenzen nog daadwerkelijk konden afgebakend worden voor de buitenwereld. In vele landen ter wereld schreeuwen hun extremistische voorstanders zich nog de longen uit het lijf, ballen ze de vuisten en grijpen zo nu en dan uit onmacht nog eens naar de wapens. Maar hun stemmen worden niet meer gehoord door de meerderheid. Hun grauwe en menigmaal vruchteloos gerestaureerde burchten brokkelen langzaam verder af. Over hun hoge, vensterloze muren zoeven de bommenwerpers van de openheid, verspreiden de golven zich van een interplanetair communicatiesysteem dat in elke uithoek binnendringt. Geen grens die nog kan worden afgesloten, geen luchtruim dat men nog als een luchtbel van andere luchtbellen kan afschermen. De vooruitgang en de onstuitbare bevolkingsgroei heeft de kleine leefgemeenschappen van weleer uit elkaar gerukt, verkneed en gemixt. Er is geen weg terug.

 

Geleidelijk aan zien de meeste mensen in dat alléén een kosmopolitische ingesteldheid nog soelaas kan brengen. De wereld is al een tijdje één groot dorp geworden en het past niet dat een straat of een plein nog afgesloten wordt voor een andere bevolkingsgroep. En hoe onze grootouders ook gevochten hebben voor een eigen lapje grond en het behoud van onze eigen verworvenheden: zij deden het tegen beter weten in, aangespoord door machtswellustelingen die enkel uit waren op persoonlijke roem en glorie en het patriottisme daarvoor tot heilig uitriepen. Onze voorouders konden zich nog niet voorstellen dat de aarde niemand en tegelijk iedereen toebehoord, maar vooral de eigendom is van onze kinderen, zoals een wijze Indiaan het ooit eens uitdrukte.

 

Maar ik dwaal af. Laat me terugkeren naar mijn nieuwe Oosterse parel. Ik draag haar niet om mijn hals, niet in de gouden inleg van een polshorloge. Ik draag haar waar een echte parel hoort te zitten: tussen mijn twee oren en in de borststreek. En ik geef het grif toe, want ik zou anders geen man zijn: als ik in mijn biologisch getinte fantasietjes naar haar bevallige vormen, jeugdige uitstraling en schuinstaande ogen kijk – dat alles meestal nog duidelijk geaccentueerd door een vaak smaakvolle, exotische outfit – zakt de parel wel eens naar de streek van de onderbuik. Maar ik ben gelukkig mans genoeg om mijn mannelijkheid onder controle te houden. En dus zweeft de parel meestal waar hij zich het best thuis voelt: in de streek waar de biologie het overlaat aan onze psyche. De énige plek waar dromen geboren worden en vaste vormen krijgen, waar talent zich vertaalt in wonderen, verwondering en bewondering. De énige plek ook waar elke virtuele vorm van onderlinge communicatie kan aanvoelen als de streling van een vingertop over een naakte huid. En terwijl ik nog eens het korte mailtje herlees dat Lulu mij stuurde als antwoord op mijn veel langere mail, voel ik haar woorden bijna écht vibrerend als vingertoppen over mijn huid dwalen. “Ik ben trots op je dat je niet alleen mooi kunt schrijven maar ook mooi kunt schilderen en ik hoop dat je er intens blijft van genieten”, schreef ze, nadat ze mijn epistel tot het einde toe had doorgelezen en een vluchtig bezoekje aan mijn website had gebracht. En daarboven nog een vraagje dat mij bijna deed geloven dat het mij toegemeten talent als schrijver toch iets beter ontwikkeld is dan ik zelf vermoed: “Mag ik een deel van je mail (met weglating van je persoonlijke informatie) citeren in een of meerdere blogs? Ik vind je woorden zo wijs en mooi dat ik ze graag wil delen met onze FB vrienden”. Ik schreef haar terug dat ik het als een grote eer beschouwde als ze mijn woorden in een of meerdere van haar populaire blogs zou citeren, waarop ze mij kort daarop antwoordde: “De eer is aan mij om je via het FB netwerk te leren kennen en om je wijze woorden te mogen lezen”.

 

Die diep ingewortelde Oosterse ‘nederigheid’, die door ons, westerlingen, al zo vaak in smalende cartoons tot een oubollig gedragspatroon van breed glimlachende en diepbuigende Chinezen met spleetogen en konijnentanden werd verminkt. Maar hoe overduidelijk toont deze nederigheid het respect aan dat dit volk heeft voor allen die de oppervlakkigheid proberen te overstijgen. Ik denk hier dan even niet aan de soldaten die brutaal en schijnbaar zonder mededogen of enig respect voor de menselijkheid met een enorm machtsvertoon een groep demonstranten uit elkaar drijft op het Plein van de Hemelse Vrede, want die zijn er natuurlijk ook. Maar die zijn er spijtig genoeg overal. In Oost, West, Noord en Zuid. Het zijn de restanten van een horde homo sapiens die nog hun schurftige dierenhuid niet hebben afgeschud, die het Woord en de Dialoog nog niet ontdekt hebben en zich nog laten drijven door de briesende hoeder van de roedel, uit angst dat ze anders niet meer op de stroom kunnen meevaren.

 

Met het vermelden van bovenstaande zinsneden uit onze mails ligt het zeker niet in mijn bedoeling om onze persoonlijke correspondentie aan de grote klok te hangen, en daarmee hoogmoedig aan te tonen dat een grote dame uit de Chinees-Nederlandse literaire wereld enige belangstelling in mij vertoont. Ik haal ze enkel uit de schelp van onze persoonlijke leefsfeer om te illustreren wat het Woord met een mens kan doen. Het zijn maar een paar eenvoudige, als vloeibaar goud in een mal van drijfzand gegoten woorden. Vluchtig en vervluchtend. Enkele kleine zinnetjes tussen de ontelbare enorme krantenkoppen van het leven. Doch, ze hebben mij verblijd. Ze hebben mijn bewogen dag goed gemaakt. Ze hebben een straaltje zonneschijn gebracht in een kraterveld waar de geur van afgestorven dromen en gebroken vleugels alle andere geuren overstemt. Maar ze hebben mij vooral één ding nog duidelijker gemaakt dan ooit: dat het Woord een heel krachtig wapen is, maar tegelijk het meest helende medicijn. Het woord kan ons psychisch diep verwonden en zelfs vermoorden; het kan ons teleurstellen of ontmoedigen en zelfs van ons een wrak maken. Maar het kan ons ook tot in de diepste kern van een zeldzame bloem brengen, ons naar het middelpunt van de zon laten zweven zonder dat we opbranden. Het kan ons mooier maken dan we zijn, ons een glans verschaffen waar geen vernislaag toe in staat is.

 

Niet de brute soldaat die niets ontziend zijn wapen op je voorhoofd richt is de gevaarlijkste. Niet de chirurg die met een geduldige precisie een tumor verwijderd is de meest helende. Niet de metser die de laatste

steen op de hoogste toren vast mortelt is de beste bouwer. De gevaarlijkste, de meest helende, de beste bouwer is hij of zij die het Woord hanteert.

Lulu Wang gebruikt het Woord enkel om te helen en om iets op te bouwen, om onze bewustwording aan te scherpen en ons de kleine en grote dingen waar we in onze haast aan voorbij hollen te laten (her)ontdekken. Precies dáárom is ze zo belangrijk. Onmisbaar zelfs, want zonder parels blijft elke oester maar een onbeduidend, nietszeggend weekdier met een harde schelp.

Bedankt, Lulu Wang… en tot schrijfs.

 

Leer Lulu Wang en haar werk beter kennen: > LULUWANG.NL

 

Lulu Wang op Feest der Letteren, Amsterdam