de-kronieken-van-bomon-1950-01

 

De Kronieken van Bomon - 1950 - 01

Geboren als een "keizerskindje"

 

Ik ben niet, zoals de meeste baby’s, op een natuurlijke manier geboren. Op zaterdag 12 augustus 1950, kort voor middernacht, word ik in de Sint-Elisabethkliniek te Zottegem uit de warme moederschoot gehaald door middel van een sectio caesarea. Ik ben de eerste zoon uit het huwelijk van Albert Adolf Bomon en Simonne Maria Thérèse Van Kerckhove.

 

De zon heeft op mijn geboortedag iets meer dan tien uur geschenen, bij een gemiddelde temperatuur van 17,5 graden Celsius. Er is die dag in onze Vlaamse contreien geen druppel regenwater gevallen. Ik kom dus onder een gunstig gesternte ter wereld. En dan nog wel onder het sterrenbeeld Leeuw (in de Chinese horoscoop onder dat van de Tijger).

 

Waarom mijn moeder via een keizersnede van mij verlost is, heb ik nooit kunnen achterhalen. Was haar bekken te smal? Lag ik in een ongunstige houding? Verkeerde ik in een foetale nood door een placenta loslating of door een uitgezakte navelstreng? Had mama een infectie in het baringskanaal?... Er zijn verscheidene mogelijke oorzaken die een keizersnede noodzakelijk maken. De juiste oorzaak zal ik echter nooit kennen, maar feit is dus dat ik niet langs de vaginale weg de wereld ben ingerold.

 

Het heeft trouwens nog jaren geduurd vooraleer ik er achter kwam dat ik een "keizerskindje" ben. In het midden van de vorige eeuw spreekt men in het bijzijn van kinderen nog niet over zulke onderwerpen. Kinderen krijgen te horen dat de ooievaars ze brengen, of dat ze op het veld uit een bloemkool geplukt worden.

 

Mijn mama, een charmante, bijzonder lieve en fantasierijke vrouw, vertelt mij een ander verhaaltje wanneer ik haar op ongeveer vijfjarige leeftijd vraag hoe ik bij haar en papa terecht gekomen ben. Ze heeft me gekocht op een Spaanse boot, vertelt ze, enigszins blozend om mijn 'onzedige’ nieuwsgierigheid. Ze heeft me uit de honderden baby’s op de boot gekozen omdat ik het mooiste en liefste kindje van de hele lading was. En omdat ik meteen lieflijk naar haar heb gelachen toen ze zich de eerste keer over mij boog. Zo heb ik haar duidelijk gemaakt dat ik haar zoontje wou zijn. Maar toen ze dolgelukkig met mij in haar armen de Spaanse kinderboot verliet, is ze door de vermolmde loopbrug gezakt. Vandaar dus die lelijke grote spatader die ze op haar linker onderbeen heeft. Ik moet dus maar braaf zijn, want door mij te kopen heeft ze jarenlang veel pijn geleden. En om het 'delicate' onderwerp af te sluiten geeft ze mij een zoentje op m'n wangetje.

November 1950. Op de arm van mama.

In mijn wiegje, zes maanden jong.

Wanneer ik echter zo rond mijn zevende op de nabijgelegen boerderij ontdek dat kalfjes, veulentjes, biggetjes en lammetjes uit het “pisgoatse” van hun mama komen, en kuikentjes uit een ei kruipen, raak ik er van overtuigd dat kinderen ook wel op een dergelijke manier ter wereld moeten komen. Waarom zou het er bij de mens anders aan toegaan dan bij de dieren? We zijn toch ook van vlees en bloed? Akkoord: mensen kunnen praten en hebben geen pluimen of een vacht zoals vogels en dieren. Ze dragen kleren en zoogdieren en vogels niet. Maar wij plassen en kakken toch ook zoals de dieren?

 

Ik confronteer mama met mijn ontdekkingen, en zeg onomwonden dat ik haar "buutsesverhoal" niet meer geloof. Ik vraag haar onbeschaamd of ik ook uit haar “pisgoatse” kom. Of heeft ze mij, net zoals de kippen op het erf, uitgebroed? Mama schrikt hevig wanneer ik mijn vragen op haar afvuur. Ze heeft het er duidelijk heel moeilijk mee om een voor kinderen begrijpelijke uitleg te verzinnen, maar uiteindelijk geeft ze met rode wangen toe dat ze mij inderdaad niet op een boot gekocht heeft, maar dat ik “in haar buik groeide”. Ze voegt er echter onmiddellijk aan toe dat ik haar buik niet heb verlaten langs haar “heugh… pisgoatse”, maar dat de dokter haar onderbuik opengesneden heeft om mij er uit te halen. “Da heet ‘n keizersnede,” verklaart ze in haar plattelandsdialect. “Gij zijt dus gien gewuun jongetse, moar ’n keizerskiendse.”

 

Een keizerskindje! Daar ben ik lange tijd behoorlijk fier op geweest. Volgens het volksgeloof zou de beroemde Romeinse keizer Julius Caesar via een snede in de buikwand van zijn moeder ter wereld gekomen zijn; vandaar de volkse benaming “keizersnede”.

 

Veel later ontdek ik echter dat er geen beruchte keizer in het spel kan gezeten hebben. Volgens specialisten die het kunnen weten zouden in Julius’ tijd zwangere vrouwen een dergelijke ingreep nooit overleefd hebben, en uit de geschiedenisboeken weten we dat Aurelia Cotta, Julius’ moeder, hem opvoedde. Waarschijnlijker is dus dat de term afkomstig is van het Latijnse woord caedere, wat snijden betekent. Een andere theorie zegt dat de benaming 'keizersnede' mogelijk komt van ‘Lex Caesarea’: het verbod om een zwangere vrouw te begraven zonder het kindje uit haar lichaam te hebben gehaald. Iets dat teruggaat tot in het oude Egypte.

 

Ik ben dus alles behalve een keizerskindje. Ik ben – net als de andere kinderen uit de buurt – maar een doodeenvoudig plattelandsjongetje, dat evenals de andere plattelandsjongetjes wel eens flink naar koeienmest kan stinken als we bij "Boer Vijze" wat te lang in de stallen hebben rondgehangen. Of wanneer we op de grote mestvaalt midden op de open hof van de boerderij, waar we altijd welkom zijn, bergbeklimmer hebben gespeeld. Maar zo ver zijn we nog niet in ons verhaal. Ik moet nog vertellen waarom ik de voornaam Antoine kreeg...