de-kronieken-van-bomon-1950-02

De Kronieken van Bomon - 1950 - 02

Een Sint-Antoniusspaarpotje uit het begin van de jaren vijftig.

 

Sint-Antonius werd geboren op 15 augustus 1195 te Lissabon als Fernando Martins de Bulhões, in een rijke, adellijke familie. Hij stierf na een vroom leven van prediken en onderwijzen als minderbroeder op 12 juni 1231 te Padua en werd nog geen jaar later door paus Gregorius IX heilig verklaard. Hij is de patroonheilige van de franciscanen, van verloren voorwerpen, vrouwen en kinderen, het vee, de armen, bakkers, mijnwerkers, het huwelijk, reizigers en verliefden, en ook nog eens patroon tegen schipbreuk, de pest en koorts.

 

Door haar grotendeels Franstalige opvoeding heeft mama het doorgaans over “Saint-Antoine” als ze de heilige franciscaan aanroept om een kwijtgeraakt voorwerp terug te vinden.

 

Saint-Antoine wordt door mijn moeder trouwens niet alleen aangeroepen als ze iets kwijtgeraakt is. Ze bidt meer tot de al lang tot stof teruggekeerde pater dan tot God of Jezus. Als Saint-Antoine een gebed van mijn moeder heeft verhoord, wat blijkbaar heel vaak gebeurt, stopt ze een muntstukje in het Sint-Antoniusspaarpotje dat in de woonkamer op de schouwmantel staat. Door een ingebouwd mechanisme wordt ze dan voor haar gulheid bedankt met een hoofdknikje. Is het spaarpotje vol, dan wordt het geld integraal aan de pastoor afgestaan, ten voordele van het missiewerk van de minderbroeders in China, Chili en Congo.

 

Zoals later zou blijken wordt het geld dat de pastoor van de gelovigen ontvangt echter niet doorgegeven aan de minderbroeders, maar koopt hij er voornamelijk vaatjes wijn mee. "Het bloed van Christus" is immers de lievelingsdrank van de niet zo geliefde dorpsherder, die ongeveer acht jaar later (1959) omwille van zijn talrijke “onchristelijke” uitspattingen door het bisdom van Gent uit zijn ambt ontzet wordt. Maar daar kom ik nog op terug in een van mijn latere kronieken.

 

Het is dus geen wonder dat mama haar eerstgeboren zoon Antoine noemt. De keuze van mijn tweede en derde voornaam (Jean, Leon) is ook logisch. Mijn meter, jongere zus van mijn mama, heet immers Jeanne, en hun vader, mijn peter, Leon. Het is in die tijd nog min of meer gebruikelijk dat kinderen op hun geboorteakte na hun roepnaam de voornamen van hun meter en peter krijgen.

 

Saint-Antoine en het Heilig Jaar 1950

 

Laat ik eerst nog even zeggen dat mijn geboortejaar een Heilig Jaar is, althans volgens de Roomse kerk. Wanneer de paus een Heilig Jaar voor de gehele kerk afkondigt worden in Rome in de vier patriarchale basilieken de ‘Heilige Deuren’ geopend. Talrijke pelgrims komen dan speciaal naar Rome om door ieder van deze deuren te gaan. In de toespraken tot de pelgrims, of bij andere gelegenheden in de loop van een dergelijk jaar, worden er accenten aangestipt die betrekking hebben op het Heilig Jaar of het thema van dat jaar. En laat het juist op mijn geboortedag zijn dat paus Pius XII in zijn encycliek Humani Generis zijn bezorgdheid uitspreekt over de “dwalingen die de fundamenten van de katholieke geloofsleer bedreigen”. Of hij daarmee de dwalingen van verscheidene van zijn eigen gewijde bisschoppen, priesters, nonnen en paters bedoelt, of de naoorlogse modernisering die al in tal van steden de kop opsteekt, is niet duidelijk, want er is geen gewone sterveling die een woord van zijn in het Latijn opgestelde encycliek begrijpt.

 

Aan mijn vader heeft de paus in die jaren nochtans een onderdanig en zeer volgzaam zieltje. Hoewel papa kan vloeken als een knorrige ketter gaat er geen maaltijd voorbij zonder voorafgaand gebed. Hij is een trouwe kerkganger die minstens één keer per week tegenover de pastoor zijn zonden opbiecht, en wellicht heeft hij in zijn jeugd meer “onzevaders” en “weesgegroetjes” gepreveld dan een godvruchtige misdienaar.

 

Mama heeft het meer voor Sint-Antonius dan voor de paus en zijn kardinalen, die tijdens de oorlogsjaren de afschuwelijke afslachtingen van de Joden nooit expliciet veroordeeld of openlijk afgekeurd hebben (volgens Johannes Houwink ten Cate, hoogleraar holocaust- en genocidenstudies aan de Universiteit van Amsterdam, uit schrik dat Hitler ook het Vaticaan onder de voet zou lopen, wat de Duitse dictator trouwens van plan was als de Roomse kerk zich tegen de zuiveringspolitiek van het nazisme zou uitspreken).