de-kronieken-van-bomon-godveerdegem-03

De Kronieken van Bomon - Over mijn geboortestreek - 03

Langs de oevers van de Molenbeek

 

Aan de natuurlijke bezienswaardigheid van ons dorp hebben mijn broertje en ik in de jaren vijftig veel meer plezier beleefd dan aan de religieuze. In Godveerdegem ontspringt de bron van de Molenbeek-Ter Erpenbeek, in het Godveerdegems dialect “de Meulebeke” genaamd. De kronkelende beek heeft amper een lengte van ongeveer vijfentwintig kilometer, maar haar stroomgebied strekt zich uit over het grondgebied van de gemeenten Godveerdegem, Erwetegem, Grotenberge, Herzele, Sint-Lievens-Esse, Woubrechtegem, Ressegem, Heldergem, Kerksken, Haaltert, Aaigem, Mere en Erpe. Ze mondt uit in Hofstade (Aalst) in de Dender. Vanaf de bron in Godveerdegem tot aan de monding in Hofstade heeft de Molenbeek volgende zijbeken: de Plankebeek, Meilegembeek, De Burg, 's Heerendijkbeek, de Grep, Holbeek, Steenbeek en de Zijpbeek. Het stroomgebied beslaat daarmee een oppervlakte van ongeveer 5.474 hectare. Op sommige plaatsen is de Molenbeek niet breder en dieper dan een gracht, maar de beken waren vroeger heel belangrijk voor de bewatering van de landbouwgrond én voor de drinkwatervoorziening.

 

Aan de groene oevers van de “Meulebeke” hebben mijn broertje en ik heel wat zalige en avontuurlijke momenten beleefd. Regelmatig trokken we naar de bron van de beek, om er van het kristalheldere koele water te drinken, maar vooral om wat verderop kikkervisjes, stekelbaarsjes, waterspinnen, salamanders, waterkevers en andere zoetwaterorganismen die in de beek voorkomen op te vissen, of om er gladgeschuurde keien te zoeken voor onze schatkist. De gevangen diertjes werden in een emmer naar huis gesleept, waar ze in een grote, met regenwater gevulde zinken kuip werden gegoten, zodat wij ons eigen aquarium hadden. Vaak zagen wij in de zinken kuip de gevangen “dikkopjes” uitgroeien tot volwaardige kikkers. Op sommige momenten hebben er talrijke kikkers in onze boomgaard gezeten, die nadien uit zichzelf via de velden en weiden opnieuw een vochtiger omgeving opzochten.

Godveerdegem - Molenbeek - 01

In Godveerdegem stroomt de Molenbeek onder de Gentse Steenweg door. Aan dit brugje beleefden mijn broertje en ik, gewapend met een tinnen bekertje en een metalen emmer, onze prilste "vissersavonturen".

Een "dikkopje"... en hoe we het in de beek of in onze zinken kuip zagen evolueren tot een volwaardige kikker.

Geelgerande waterroofkever

De geelgerande waterroofkever is de grootste vijand van dikkopjes. Die zetten we dus niet in ons "akwarum", maar in een aparte emmer. Aan de stekels op de rug van de stekelbaarsjes hebben we vaak onze vingers geprikt en we kregen ook wel eens een beet van een waterspin. Deze beten zijn giftig en pijnlijk, maar niet gevaarlijk voor de mens. Gelukkig maar, of ik had deze kronieken niet kunnen schrijven! De pijn hoorde nu eenmaal bij het "visplezier".

 

De spannendste jachten waren echter deze op salamanders, die zowel in het water als in het gras te vinden waren. Wij zagen deze amfibieën in de loop der seizoenen evolueren van kleine larven tot volgroeide diertjes. In tegenstelling tot kikkerlarven (“dikkopjes”) krijgen de meeste salamanderlarven eerst voorpootjes en pas nadien achterpoten en behouden ze een lange staart. De kleine salamanders kwamen het meeste voor, maar een paar keer slaagden wij er ook in een grote watersalamander te vangen, die een rugzoom met een gezaagde rand heeft. Wij konden de salamanders vangen, maar ze ontsnapten heel vlug uit ons “akwarum”, want die beestjes zijn uitzonderlijk snel en behendig.

Kleine watersalamander
Vuursalamander
Kamsalamander
Alpenwatersalamander

Voor de kleurrijke bloemen die langs de oevers van de beek groeien, en waarvan er intussen al enkele soorten voorgoed van de aardbodem verdwenen zijn, hadden we minder oog. Soms plukte ik een boeketje bij elkaar voor mama, waarmee ik – ondanks de lieflijke bedoelingen – eigenlijk meehielp bij de uitroeiing van zeldzame bloemensoorten. Maar als kind blijf je daar niet bij stilstaan. Je beseft het niet als het je niet gezegd wordt. Mij werd het pas duidelijk toen ik al vooraan in de twintig was en met mijn toenmalig naaktmodel, haar man (een beroepsmilitair die prachtige gedichten schreef) en hun twee dochtertjes een wandeling maakte. Terwijl wij in het gras met elkaar zaten te filosoferen over kunst had één van de meisjes in een onbewaakt moment een boeketje veldbloemetjes geplukt voor haar moeder. Deze aanvaarde het boeketje maar legde het kind meteen liefdevol uit dat ze er véél meer zou van genoten hebben indien het kind de bloemetjes niet geplukt had en tegen haar mama had gezegd: “Kijk mama, al die mooie bloemetjes die hier groeien zijn voor jou!” Want als je alle zeldzame bloemetjes plukt, legde ze aan het meisje uit, zijn er na verloop van tijd geen meer over en kan niemand er nog van genieten. Het kind liet daarna alle bloemetjes staan en wees er haar moeder telkens op dat dit of dat groepje veldbloemetjes langs de weg allemaal voor haar mama en voor alle andere lieve mama’s ter wereld waren. Ik heb sindsdien zelf ook nooit meer een bloemetje geplukt. Het was één van de meest ontroerende “milieulessen” die ik ooit gekregen heb, dan nog wel van een prachtige, intelligente en milieubewuste vrouw, die door haar conservatieve buren met afschuw bekeken werd omdat ze in haar blootje poseerde voor kunstenaars.