de-kronieken-van-bomon-godveerdegem-05

 

De Kronieken van Bomon - Over mijn geboortestreek - 05

Romeinen in onze streken

 

In de omgeving waar al die molens en kapelletjes gebouwd werden, hebben vele eeuwen voordien nog Romeinse legionairs rondgelopen. Mijn broertje en ik hebben op de velden waar we vrijwel elke dag rond scharrelden nooit een Romeinse schat opgegraven. Maar boeren stuitten bij het omploegen en graven zo nu en dan wel op overblijfselen uit die tijd. Toen die vondsten bekend raakten doken er archeologen op in de streek, die na tal van opgravingen en onderzoeken tot de vaststelling kwamen dat er zeker te Velzeke-Ruddershove (een dorp niet ver van Godveerdegem) ooit een Romeinse nederzetting moet geweest zijn. In deze Zottegemse gemeente bevindt zich in de Paddestraat thans het indrukwekkende 'Provinciaal Archeologisch Museum' (voorheen: Galo-Romeinse Museum), waarin alle vondsten uit de omgeving doorlopend tentoongesteld worden, gaande van munten, wapens en uitrustingen tot gebruiksvoorwerpen (of gedeelten ervan) uit de Galo-Romeinse tijd. In Velzeke word je trouwens nog overal met het Romeinse verleden geconfronteerd. In het centrum kom je op het 'Romeins Plein' oog in oog te staan met een standbeeld van Julius Caesar. En namen van straten, pleinen en herbergen leggen ook een link met de Romeinse aanwezigheid. Naast het museum, op het openluchtpark, zijn nog de funderingsresten van een Romeins gebouw zichtbaar. Maar die Gallo-Romeinse sfeer proef je toch het meest in het museum zelf, waar het dagelijkse leven van onze voorouders aan de hand van talrijke bodemvondsten getoond (en tijdens museumevenementen gedemonstreerd) wordt. En je verneemt er ook hoe en waarom Velzeke in de Gallo-Romeinse periode een bloeiende agglomeratie op het kruispunt van twee belangrijke Romeinse wegen was. Om de rijke periode uit de Gallo-Romeinse tijd nog meer in de verf te zetten organiseert het museum al enkele decennia jaarlijks een aantal boeiende activiteiten, waarbij de geschiedenis als het ware echt opnieuw tot leven komt, met steekspelen, demonstraties van ambachten uit die tijd en nog veel meer (raadpleeg hiervoor de >site van het museum).

 

Gedeelte van het interieur van het Provinciaal Archeologisch Museum (PAM) te Velzeke. Zeker een bezoekje waard!

P rovinciaal Archeologisch Museum - Velzeke

In de jaren vijftig, maar vooral in de jaren zestig, struinden mijn broertje en ik regelmatig rond in deze omgeving, maar toen was er nog geen sprake van een museum. We zagen de Romeinse legioenen toen enkel in onze verbeelding door de vermaarde Paddestraat marcheren. Het gebouw waar thans het museum in ondergebracht is was toen nog een statig huis op de heuvelrug, ooit eigendom van een Gentse kunstschilder uit de eerste helft van de 19de eeuw. Vanaf 1880 werd het de lokale gemeenteschool. Wanneer in 1890 op het achterliggende perceel klaslokalen werden opgetrokken, werd het gelijkvloers van de woning in gebruik genomen als gemeentehuis. Dit bleef zo tot in 1965. Onder het toeziend oog van schoolmeester Jozef Janssens werden er in 1968 en 1969 regelmatig tentoonstellingen opgezet. Vanaf 1970 fungeerde het huis als uitleenpost van de Zottegemse centrale bibliotheek en als stempellokaal. In 1972 kreeg het gebouw voor de eerste maal een museumfunctie. Op de eerste verdieping werd een bescheiden verzameling Romeinse en Merovingische vondsten uit Velzeke ondergebracht. Het Gallo-Romeins museum was geboren.

 

De paddestraat en het huis op de heuvelrug waar thans het PAM gehuisvest is in vroeger tijden..

Dezelfde omgeving vandaag. Er is in een halve eeuw veel veranderd.

PAM - Velzeke

Op 9 september 2014 overleed mijn geliefde broer op 62-jarige leeftijd aan longkanker. Een jaar later keerden zijn dochter Sylvia, kleindochter Isalie en ik nog eens terug naar de plaats waar mijn broer en ik ons als kind en tiener meer dan eens stoere Romeinse soldaten hadden gewaand. Het was een halve eeuw geleden dat ik deze omgeving nog eens bezocht had en ik wou weer eens de herinneringen van toen tot leven laten komen. In het museum mocht ik van het vriendelijke personeel even een Romeinse helm, schild en zwaard lenen voor een leuke foto. Mijn broers kleindochter Isalie werd voor eventjes een bevallige Romeinse jonkvrouwe. Het leek alsof ik, op het moment dat de foto gemaakt werd, de vrolijke schaterlach hoorde van mijn overleden broer. Een "Romeinse legionair" met snor en baard én een zwart vest uit kunststof kwam nu eenmaal niet erg overtuigend over, hoe stoer ik ook naar de lens probeerde te lonken. Maar de herinnering aan onze fantastische jeugdjaren verzachtten toch voor even de scherpe pijn om het verlies van mijn trouwste en meest geliefde kompaan ooit, die een paar decennia te vroeg van ons werd weggerukt.

Het geeft me een “kosmopolitisch" gevoel als ik bedenk dat onze Vlaamse voorouders een mengelsoepje zijn van verscheidene volkeren en culturen, want het is uiteraard méér dan aannemelijk dat de Romeinse soldaten tijdens hun verblijf in onze contreien hun knuppeltje onder hun minirokjes niet alleen gebruikt zullen hebben om er de Vlaamse bomen mee te bewateren. Al de daaropvolgende bezetters van ons mooie Vlaanderenland, van Merovingen, Spanjaarden tot Hollanders, zullen ook wel meer dan eens een scheve schaats gereden hebben, waaruit uiteindelijk dus een gemengd nageslacht is voortgevloeid. De bezetters lieten ook tal van sporen van hun cultuur en gebruiken na, zodat er van de oeroude “Vlaamse eigenheid” waar de Vlaams-nationalisten zo graag mee dwepen in feite niets meer overblijft. Dat eeuwige proces van vermengen van rassen en culturen is trouwens nog altijd overal ter wereld aan de gang en dat is maar goed ook. Zonder deze zouden de oorspronkelijke bewoners wellicht al lang aan inteelt ten onder gegaan zijn en zouden we thans niet zo een rijke, veelzijdige cultuur ontwikkeld hebben. Indien we onze grenzen altijd hadden weten af te sluiten voor buitenlanders en altijd op onze eigen mestvaalt hadden zitten stinken, zou er trouwens ook in geen enkel Vlaams dorp ooit een kerk of kapel hebben gestaan, want het christendom en de vele vertakkingen ervan werden tevens door "predikers" uit het Oosten in onze contreien ingevoerd.

 

Hoe dan ook: in onze streek heeft iedereen – op misschien een paar zeldzame uitzonderingen na – zich altijd in de eerste plaats “Godveerdegemnoar” of “Zottegemnoar” gevoeld en op de tweede plaats “Belg”. Het Vlaams-nationalisme heeft in deze streek nooit veel mensen kunnen bekoren. Dat blijkt onder meer ook uit het feit dat de Inwoners van Godveerdegem zelfs tot in de huidige tijd hun aanvankelijke spotnaam “Picarren” met trots als een eretitel dragen. Een heus Picarrencomité verzorgt er tot op heden jaarlijks niet alleen de Picarrenfeesten, maar er werd vroeger ook flink wat verbroederd met het Franse Picardië, aan wie onze dorpsbewners hun “spotnaam” te danken hebben. Verscheidene Godveerdegemnaren, vooral dagloners, verdienden in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw hun kost als seizoenarbeider in het Noord-Franse Picardië. Enkele dorpsbewoners deden dat ook nog in de jaren vijftig. Liever dan te gaan “doppen” trok mijn vader tijdens periodes van economische werkloosheid in de bouw ook nog tot eind jaren vijftig naar Picardië om met de bietenpluk het gat in zijn inkomsten op te vullen.