verhaal-waargebeurd-eerste-liefdesverklaring

KORT VERHAAL VAN ANTOINE BOMON UIT DE REEKS 'DE KRONIEKEN VAN BOMON'

DEEL I - HET LEVEN ZOALS HET WAS IN DE JAREN VIJFTIG

 

De eerste aan mij gerichte geschreven liefdesverklaring

Het jaar 1956 zou voor mij vrijwel ongemerkt in het volgende jaar overgegaan zijn als er niet die onvergetelijke oudejaarsavond was geweest.

We konden toen nog niet kijken naar een eindejaarshow op de televisie, want hoewel de Vlaamse televisieomroep toen al drie jaar enkele uren per week programma's uitzond had nog niemand in ons dorp zo'n "wonderkastje waar je bewegende beelden kon op zien" in huis. We konden toen ook nog geen spectaculair vuurwerk afsteken, want vuurpijlen waren uren in het rond niet te verkrijgen. Maar op een weide van Boer Vijze werd, zoals elk jaar, een grote berg stro in brand gestoken, waar jong en oud vrolijk en goed ingeduffeld tegen de winterkou rond dansten en zongen tot de laatste gloeiende sintel was uitgedoofd.

Het was een oudejaarsavondfeest zoals dorpelingen dat al eeuwenlang vierden, met een uitzinnige blijheid omdat men de ellende van het afgelopen jaar overwonnen had. En met de hoop in het hart dat zij het nieuwe jaar met dezelfde krachten, werklust en moed zouden kunnen doorspartelen.

De dorpelingen van toen verlangden geen wonderen. Ze keken nog niet uit naar voor hen onbereikbare doelen of droomden nog niet van overbodige luxe. Zelfs nog niet van welstand. Misschien lag het geheim van hun eeuwige opgewektheid, hun welgemeende vriendelijkheid tegenover anderen en het feit dat ze nooit last hadden van stress precies daarin besloten. De meeste eenvoudige mensen waren zelden of nooit ontgoocheld, omdat ze niet veel meer verwachtten dan een goede gezondheid en voldoende eten. Ze berustten doorgaans in hun lot; de grote meerderheid droomde er niet van om van knecht tot koning op te klimmen. De boeren waren al dankbaar en gelukkig als ze een goede oogst binnenhaalden en daarmee de strenge winter ‘zorgeloos’ konden doorkomen. De arbeiders, dagloners en knechten keken alleen uit naar voldoende werk. De vrouwen voelden zich al gelukkig als hun kroost zonder ernstige en dodelijke ziekten het jaar was doorgekomen en zij genoeg middelen hadden om het huishouden naar behoren te kunnen leiden. Al de rest kon hen gestolen worden. Zware criminaliteit in de plattelandsdorpen was nog zo zeldzaam als een goudader in een zandberg. Niet zozeer omdat de mensen daar misschien iets meer dan elders de toorn van God of de arm van de wet vreesden, maar omdat ze tevreden waren met wat ze bezaten. Waarom zou je stelen, inbreken of een overval op een geldtransport plegen, als alles wat je nodig hebt om gezond te leven zomaar in de aarde ontspruit en open bloeit, en je voor de rest kunt werken? Wat bereik je door iemand laaghartig te vermoorden, te verkrachten of te verminken? Niets meer dan een troosteloos, jarenlang verblijf in de gevangenis; een leven niet waard geleefd te worden. Waarom zou je afgunstig naar een rijke schijtluis lonken? Wat hij teveel heeft kan hij toch niet meenemen in zijn graf…

 

Ik wil hier die tijd en de plattelandsgeest van toen niet idealiseren. Er vonden ook toen door mensen aangerichte drama’s plaats. Er waren ook toen dorpsgenoten die zich werkelijk over bepaalde dingen zorgen maakten, die ook échte zorgen en verdriet hadden. Een ongeneeslijk ziek kind, dat uiteindelijk veel te vroeg de strijd moest opgeven; een slechte oogst, verlies van zijn job en nog zo van die dingen. Er liepen ook toen overal opscheppers, amokmakers en ontevredenen rond. Elk dorp had zijn ijverige werkers, zijn schelmen, zijn luiaards en opstandelingen. Maar in de kranten van toen moet men bijna met een vergrootglas op zoek gaan naar criminele gebeurtenissen die in onze dorpen werden gepleegd. Dat zegt genoeg.

 

Alarm- en beveiligingssystemen waren in ons dorp nog onbekend en ook niet nodig. Er heeft in ons café zelfs nooit een slotje op de geldschuif gezeten. En hoewel mijn moeder vaak in de keuken of in een andere kamer bezig was terwijl er klanten in het café zaten, en de voordeur op warme dagen altijd wagenwijd open stond, is er gedurende al die jaren nooit één centiem uit de la gestolen. Wie iets te kort had, vroeg het aan familie of aan de buren en kreeg het. Vaak gratis, soms in ruil voor een karweitje. Liefdadigheid was toen in de dorpen nog geen edel woord of instelling; het was een natuurlijk instinkt, in ieders ziel ingebakken, noodzakelijk om de hele groep in stand te houden.

 

Jammer genoeg was dit niet overal zo. Vooral in de grote steden was er ook toen al veel criminaliteit, onrust en ongenoegen. De meeste mensen leefden er anders, in een onnatuurlijk ritme, in een onnatuurlijke omgeving, constant vooruit geschopt door die naoorlogse prestatiedrang, door een onverklaarbaar streven naar meer en beter. Die stadsmensen hadden niet meer die grote, diepgewortelde verbondenheid met de natuur. Ze waren door hun jachtig verlangen naar meer welvaart vaak prikkelbaarder, agressiever, egoïstischer, veeleisender en wanhopiger. Ze voelden zich als gekooide dieren in een etalage, constant bekeken en gekeurd, vruchteloos wachtend op een koper die hen weer de vrijheid kon schenken…

 

Diane, mijn klein, blond, teder en lief lachend Dianneke, was dat jaar op die voor mij nog altijd wonderlijke nacht van oud naar nieuw ook in het dorp, met haar zusje Annie, haar broer Joël en haar ouders. Dianneke en ik dansten samen handje in handje rond de vuurberg en zongen uit volle borst. Ondanks mijn zeer jonge leeftijd (ik was toen een knaapje van een dikke zes jaar) voelde ik heel duidelijk de magie van een ander wezentje, dat met een ragfijn gouden draadje van een ontluikende, voor mij nog niet helemaal vatbare hartstocht aan mij verbonden was.

 

Na de pret op de weide werd het feest verder gezet in onze café, bij een flink opgestoken kolenvuur, op gezellige muziek die een beetje krakend uit de luidspreker van de oude platenspeler kwam.

Niemand wist op dat moment dat er in dat nieuwe jaar een levend wezentje (het Russische hondje Laika) in een baan om de aarde zou gebracht worden. Maar iedereen wist dat het leven, hoe hard en ondraaglijk het soms kan zijn, een grote rijkdom heeft waar zelfs de armste ziel zich kan in wentelen.

 

Het feest duurde nog tot in de vroege ochtend. Ik lag al lang in mijn bedje te slapen toen mijn moeder lachend en bezweet van het dansen de laatste beschonken klant de deur uit hielp.

Toen ik de volgende ochtend ontwaakte, ontdekte ik een bierviltje op mijn nachttafeltje. Mama zei dat ik met het kaartje in mijn handje geklemd in slaap gevallen was, en dat zij het voorzichtig van tussen mijn vingertjes had gewrikt voor ze mij had ingestopt, zodat het tijdens mijn slaap niet gekreukt zou worden.

 

We hadden op school gelukkig al redelijk goed leren lezen en schrijven, zodat ik niet de hulp moest inroepen van mama om te weten te komen wat er op het viltje geschreven stond. Met een nog kinderlijk, doch sierlijk handschrift had de kleine lieve Diane met een potlood neergepend: 'Ik zie je graag!' Daarnaast had ze een mooi hartje getekend met onze initialen erin.

Het was de eerste geschreven liefdesverklaring ooit aan mij gericht.

Nu, meer dan een halve eeuw later, lijkt ze in mijn hart nog altijd de oprechtste en zuiverste.